Parlementaire redevoeringen - pagina 403
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
DE STEENFABRIEKEN LANGS DEN gegevens
geen
licht
verstrekken.
Bovendien
401
IJSEL.
kwam
het mij voor, dat
gehuwde vrouwen aan de steenfabrieken te klein was, om daarop conclusiën te kunnen bouwen met betrekking tot de redenen,
het getal van de
die het percentage der levenloos geboren kinderen
Door den geachten afgevaardigde
is
hadden doen stijgen. ook gesproken over het pathos,
zooals ik het noemde, van den geachten afgevaardigde, den heer Nolting.
Ook
van
punt wensch
dit
volhouden,
blijf
dat
hier te zeggen wat mijn opinie
ik
ik het betreur,
wanneer
is.
Ik
hier niet alleen door den
geachten afgevaardigde met pathos over een wettelijken maatregel wordt
gesproken, maar indien
ander
een
dat
een
bezitten
natuurlijk ik
hij zelfs zóóver gaat, dat hij op grond hiervan, met hetzelfde pathos spreekt, hem verwijt, niet te
dat
warm genoeg
klopt voor de arbeiders. Ik heb geen vermaning aan de Kamer te geven, maar namens de Regeering wijzen op het gevaar, dat er voor
hart,
als
mag wel
niet
Minister
wanneer het in het Parlement te zeer dien Het zou niet onnatuurlijk geweest zijn, wanneer ook de heer De Vries met pathos ware gekomen en wanneer zoodoende het pathos in deze Kamer een nog hooger peil had bereikt. Hoezeer eene groote mate van pathos ook in eene volksvergadering op eene Regeering
weg
gelegen
in
is,
opgaat.
haar plaats
moge
zijn,
mag
ik toch niet verzwijgen, dat het
ons hier
niet
wetgevenden arbeid. Dit wil ik even nader aanduiden. De ook de Grondwet bezworen en weet dus ook, dat hij gehouden is, van den Minister te vragen en er op toe te zien, dat de Minister de hand houde aan de stipte uitvoering der wetten. Wanneer het nu geldt de uitvoering van eene wet door een algemeenen maatregel van bestuur, moest hij toch ik zeg dit ook ten opzichte van een helpt
bij
heer
Nolting heeft
—
—
enkel ander
lid
algemeenen
maatregel
uit
begrijpen, dat elke poging, iets
te
laten
om
den Minister
4 van de Arbeidswet, het Koninklijk Besluit
art.
in
dezen
brengen, dat niet proflueeren kan tot
eene onrecht-
matige daad zou maken.
Echter heeft ook de heer
De Klerk
gezegd, dat de eenige afdoende
ware geweest, bij dezen algemeenen maatregel van bestuur den arbeid van de gehuwde vrouw te verbieden. Dit zal ter snede zijn, wanneer wij aan de nieuwe Arbeidswet toekomen, want dan zijn wij vrij maar de geachte afgevaardigde zal het met mij eens zijn, dat men geen enkele bepaling in de bestaande Arbeidswet kan aanwijzen, maatregel
;
kunnen blijken, dat een dergelijk verbod thans uitgeEn is dat zoo, dan zal de geachte vaardigd zoude kunnen worden. afgevaardigde toch moeten toegeven, dat er wel eenig gevaar in ligt, wanneer men zich zoo laat opwinden tot een zeker pathos, dat men 26 waaruit
zou
•
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's