Parlementaire redevoeringen - pagina 366
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
364
vermoed, dat hier bedoeld werden de onderhandelingen met de directiën der spoorwegmaatschappijen. Alzoo mag, dunkt mij, veilig worden gezegd, dat de Regeering van den aanvang af zeer wel begreep, wat haar te doen stond. En wat nu de oppositie betreft, mag de Regeering niet verzwijgen, dat zij zeer scherp onderscheid maakt tusschen de oppositie van liberale zijde, in en In de Kamer is die oppositie metterdaad buiten de Kamer gevoerd.
zoo heusch, zoo welwillend en zoo voorkomend geweest, dat het zich niet wel laat denken, hoe daaruit ook maar één oogenblik een gevoel van ontstemming bij de Regeering zou kunnen opgekomen zijn. Daartegenover
staat,
dat de liberale oppositie buiten deze
indruk op de Regeering kon maken. Er was, gelijk zal,
Kamer niet zooveel men zich herinneren
eene adresbeweging op touw gezet. Nu maakt onze landshistorie van eene andere adresbeweging, die van 1878. Vrucht van
melding
deze adresbeweging was, dat er niet één, maar twee groote petitionnementen bij de Regeering werden ingediend, door 700.000 ingezetenen
Toch werd zulk eene adres-oppositie destijds zóó onbeduidend geoordeeld, dat het toenmalige Kabinet geacht heeft, zich daaraan niet het minst te mogen storen en zij zich dan ook voor geen enkele geteekend.
concessie
liet
vinden. Bij de herinnering aan die adresbeweging, bekend
den naam
onder
Volkspetitionnement, kon
van
adresbeweging,
gezette
die
uiteraard de ongerustheid
bij
zoo
aanzienlijk
door de nu op touw
lager
in
het
cijfer
bleef,
de Regeering over die actie niet zoo groot
Bovendien moest die actie vanzelf minder onrustwekkend zijn voor de Regeering, waar juist in deze dagen eene politieke stembus heeft gesproken, waarvan een der leden reeds heeft opgemerkt, dat bij die stembus het grootere aantal kiezers niet alleen, maar het dubbele
zijn.
getoond
aantal
heeh,
zich
niet
opposite
in
tegen
de
Regeering
te
stellen.
Door den heer Mees die oppositie
van
is
de vraag
liberale zijde al
ter
dan
sprake gebracht, of er achter
niet zat
eene politieke bedoeling.
Mijnheer de Voorzitter! Wanneer de heer Mees, of welk ander lid van deze Kamer ook, hier verklaart: mijn oppositie had in het minst geen politieke bedoeling, dan gelooh de Regeering dat natuurlijk. Omgekeerd echter zal de heer Mees niet kunnen ontkennen, dat bij voorwiens stuk aan een beeld de oppositie van prof. Visser te Leiden der liberale bladen eindigt met het zeggen, dat hoe eerder hoe beter dit
—
Kabinet king
vrij
afleggen,
moest worden weggejaagd te
—
pleiten
is.
—
niet geheel
Harerzijds meent
daarmede kan van
dit
zij
van politieke strekte moeten
de verklaring
chapiter gevoegelijk
worden
afge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's