Encyclipaedie der Heilige Godgeleerdheid - pagina 72
Eerste deel. Inleidend deel.
Afd.
64
Reeds
uit dit
AMBROSIUS.
Hfst. III. § 40.
2.
korte overzicht
hoe Chrysostomus de weten-
blijkt,
schappelijke theologische ontwikkeling bijna geheel op de welspre-
kendheid
waar
terugkeert,
met
slechts
wat nogmaals
richt. Iets
dit
hij
in
hoofdstuk
van het VI e boek
3
de moeilijkheden der kerkregeering bespreekt
onderscheid, dat
hier
hij
ook op kennis van de
maatschappelijke aangelegenheden aandringt, overmits
hiermee
telijke
gedurig
in
Toch
contact komt.
de gees-
ook zoo
is
uit
Chrysostomus' geschriften voor de Encyclopaedie weinig meer af leiden,
te
dan
dat
i.
hij
de wetenschappelijke vorming bepleit
tegenover het spiritualisme en empirisme;
2
dat
.
onderrichting
hij
verlangt niet alleen in de positieve gegevens der Schriften,
maar
ook in de ketterijen, die er tegenover staan; en 3
voor
dat
.
hij
het optreden van een Dienaar in het heilige een oefening eischt,
goede
die
rhetoriek en oratorie
dialectiek,
omvat en hem geen
vreemdeling laat in het maatschappelijk leven. Het wetenschapkarakter moet dus èn tegenover het empirisme èn tegen-
pelijk
over het spiritualisme gehandhaafd, en de samenhang met de theologische wereld mag volgens Chrysostomus 40.
^
Ambrosius.
Nog minder dan Chrysostomus AMBROSIUS ook co
hij
ipso
niet-
nimmer verloochend.
in zijn Libri tres
door na in
het
te
de
in
officiis
zijn
UqtoGévtjg geeft
Tltqi
ministrorum, dan in zooverre
denken over de vorming van den theoloog
encyclopaedische
Ambrosius biedt ons
in
spoor
trad.
Dit geschrift van
navolging van Cicero's De
officiis
een
soort Christelijke ethiek met bijzondere toepassing op den geestelijken stand. Hij heeft dus niet den nog te vormen theoloog,
maar den
reeds gevorniden theoloog, die aireede in het
op het oog, en mist daardoor de aanleiding pelijke uit
opleiding te bespreken.
Ambrosius
Toch
te leeren. Vooreerst,
is
in
om
ambt
staat,
de wetenschap-
in tweeërlei opzicht
zooverre
hij
voorschriften niet eenvoudig uit de Schrift toelicht,
ook
zijn ethische
maar aanhecht
aan de ethische studiën der heidensche wijsgeeren, en het verband
met het ethisch leven van den natuurlijken mensch geen oogenblik uit het oog verliest. Dit komt vooral uit bij wat hij over hun
officia als
zoodanig zegt. Hij zegt wel, dat
hij
de aandrift,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 556 Pagina's