Parlementaire redevoeringen - pagina 304
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
302
genoeg medewerking ondervindt van provincie en gemeente. Overigens ben ik het er wel mede eens, dat ten opzichte van het subsidie eene zekere regeling moet worden getroffen, omdat anders langzamer-
hand
kosten geschoven worden op het Rijk.
alle
Een tweede reden
redenen.
—
Duitschland heeft
vakorganisatie hebben
Dit
—
een van de
is
wat
men
bijv. in
eene vakorganisatie van werklieden, eene
naast
,
dat wij hier niet,
is,
Men
van patroons.
zou daardoor krijgen eene
samenwerking tusschen de vakorganisatie van de patroons, die eene zekere ontwikkeling van het bedrijf, en de bij vakorganisatie der werklieden, en eerst wanneer deze dan een publiekrechtelijk karakter zullen hebben gekregen, zal de tijd gekomen zijn, dat men voorwaarden kan stellen, waardoor van den kant van het zal kunnen worden opgetreden. Het particulier initiatief krachtiger voorbeeld van Zwitserland is voor ons beschamend, vooral omdat de
zekere
hebben
belang
industrie in verschillende branches sterker ontwikkeld
is
dan
hier.
worden verwezenlijkt van twee der heeren, die ervan gesproken hebben, dat, indien de Regeering maar zeide, dat op haar gerekend kon worden, dadelijk tot oprichting zou worden overgegaan, mag betwijfeld worden, indien men in aanmerking neemt, dat tot dusver, wanneer het particulier initiatief bij de Regeering
Of
ons de verwachting
bij
aanklopte, door
of bij
haar
ten
volle
is.
Het
is
voldaan
initiatief
zal
aan het verlangen van dat particulier
Men
men geholpen zou worden. de
Regeering nimmer afwijzend
aanvragen.
Ik
ontwikkeling steun
waar, dat hier onzekerheid bestond
niet
echter
geef
van
bepalingen
de
zaak
toe,
is
dat
noodig
weet zeer goed, dat
het
dusver
beschikt op goed gemotiveerde
het
voor eene goede en richtige omtrent het uitkeeren van
dat
is,
worden gemaakt, opdat men vooruit wete, waarop
men van Rijkswege mag rekenen. De heer Smeenge, en na hem ook heeft
tot
moeilijke
vraagstuk
aan de
hebben, ambachtsscholen, zooals ze nu
ten
deele de heer Passtoors,
orde gesteld, wat wij in
moeten
ons land veelal bestaan, waar
jongelieden van 14—16 jaar den ganschen dag worden opgeleid, die dan na eenige jaren de wereld der practijk ingaan, of wel, dat men de jongelieden moet beginnen te brengen in het ambacht, om hun de theorie op andere uren onderwijzen, zoodat daarbij toegelicht en verklaard wordt wat de practijk heeft geleerd. Die groote quaestie, welke de quaestie is bij deze scholen, kan echter onmogelijk bij een zoo vluchtig debat als dit afgedaan worden, en daarom is het beter, er niet op in te gaan. Ik dank ten slotte den heer Nolens zeer voor zijn wenken omtrent
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's