Parlementaire redevoeringen - pagina 650
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
648 dat
meega met den geachten afgevaardigde, den heer Van ook met de slotconclusie van den heer Ketelaar,
geheel
ik
Wichen,
en
eigenlijk
namelijk dat het zeer gewenscht
Maar wanneer men
is,
dat deze zaak wettelijk geregeld wordt.
op het door mij voorgedragen Duurstede en Achtkarspelen juist is, moet ik ontkennend antwoorden. Waar die zaak publiek is ter sprake gebracht, moet ik mij een enkel woord er over veroorlooven. Ik heb niet het gebesluit
mij vraagt, of de critiek
zake Wijk
in
bij
heele theoretische betoog hier in de
zake Wijk
in
bij
Kamer
brengen, want het besluit
te
Duurstede en Achtkarspelen
is
gepubliceerd,
maar
het
is
voorgesteld, alsof ik alleen stond met mijn opinie. Ik kan mij begrijpen,
men zegt, dat Gedeputeerde Staten en de Afdeeling voor Geschillen van Bestuur van den Raad van Saté van de eene opinie waren en dat de Minister van eene andere opinie was. Ik veroorloof mij daarom, er op te
dat
wijzen, dat in het Weekblad voor de burgerlijke administratie van 22 en van 29 Augustus eene uitvoerige bespreking van het besluit betreffende Wijk bij Duurstede voorkomt, en dat de kundige schrijver van dat opstel zich geheel aan mijn zijde schaart. In de tweede plaats wensch ik er op te wijzen, dat deze zaak evenzeer besproken ciale,
is in
gemeente- en waierschapsobligatiën, en
jurist,
aan de orde
wensch
niettegenstaande
dat,
het
Weekblad voor provin-
insgelijks
door een kundig
het juridische eigenlijk in dat blad niet
deze schrijver zich ook geheel aan mijn zijde
is,
ik
—
hier
plaatst.
Voorts
herhalen, dat het denkbeeld, door mij hier voorge-
te
met zooveel woorden wordt uitgesproken in de circulaire van mr. Thorbecke en dat mijn vroegere ambtsvoorganger, de heer Geertsema,
staan,
zich
kerk
geheel in
in
1876
denzelfden in
deze
maar op een grond,
geest
heeft
quaestie
nu
tot
We!
uitgelaten.
is
mr. Heems-
eene andere conclusie gekomen,
meer bestaat, t.w. dat in de toenmalige van 1857, de schorsing met of zonder stilstand van jaarwedde kon plaats hebben. En nu was zijn redeneering deze, dat, aangezien de wet zich over geheelen of gedeeltelijken stilstand van jaarwedde in een bepaald geval uidaat, de gemeenteraad in een daar niet genoemd wet,
die
niet
die
geval geen
van jaarwedde mocht provoceeren. Door de wet en sedert dien tijd van 1876 af is daarvoor geen nieuw besluit gekomen, maar wel is sedert 1878 hier en daar op allerlei wijzen door gemeentebesturen eene verordening gemaakt, waaruit men zien kon, dat de gemeenteraad zich het recht toekende om zelfs zonder de goedkeuring van Gedeputeerde Staten een van 1878
is
stilstand
gedeelte van de jaarwedde in
te
houden,
gaan
bij
ziekte, gelijk in
in
den militairen dienst of
Het komt
mij
—
—
die reden vervallen
hetzij bij
voor, dat het laatste onwettig
verloven, hetzij
bij
het
de verordening van Epe. is.
Dat oordeel wordt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's