Parlementaire redevoeringen - pagina 488
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
486 van
motiveering
juiste
bezwaar
de
wenschelijk
uitvoering
deze
voortaan
heb,
tweeslachtigheid
geen het minste
is,
blijven
te
behouden,
ook en vertrouwende, dat de moeilijkheden, die daaruit in de praktijk mochten voortkomen, vanzelf zullen opgelost worden. De heer Van "Wichen, ook een man van de praktijk, zelf burgemeester, heeft over het ontwerp enkele détail-opmerkingen gemaakt. In v/etende
de
eerste
tweede
lid
golden
plaats
van het stand
burgerlijken
de vraag, of het
die
—
niet beter
ware,
in het
waar staat: „Zij" de ambtenaren van den „worden door den raad benoemd, geschorst of
artikel,
—
van
of te lezen en. Ik geloof niet, dat deze wijziging eenige bedenking zou opleveren; niemand zal aan de bepaling ontslagen,"
anderen
een
plaats
in
zin
hechten,
hetzij
er
of of en
afgevaardigde het echter zaak, de wijziging aan mij,
wanneer
hij
Acht de geachte
staat. te
brengen, dan
een voorstel daartoe doet, daartegen
in
zal
ik
het minst niet
verzetten.
Eene tweede opmerking, door dien geachten afgevaardigde gemaakt, betreh het 13de lid, luidende: „Dit personeel wordt, de ambtenaren van den burgerlijken stand gehoord, door burgemeester en wethouders be-
noemd en
Hierbij
ontslagen".
vroeg de geachte spreker, of het
niet
ook burgemeester en wethouders het recht hebben, te schorsen. Ik geloof, dat het artikel der Gemeentewet, namelijk art. 179, waarbij waarnaar de geachte spreker zelf verwees ware,
beter
er
bij
dat
te zetten,
—
aan uit
het
dagelijksch
bestuur
is
opgedragen
schorsen
het
van
alle
de gemeentekas bezoldigde ambtenaren, welker schorsing niet aan
—
is opgedragen genoegzaam aantoont, dat burgemeester en wethouders volkomen het recht hebben tot schorsen, als zij het noodig achten. Het recht van schorsen is noodig, wanneer men te doen heeft
anderen
met personeel, dat eene zelfstandige functie uitoefent maar het personeel van de secretarie oefent geen zelfstandige functie uit. Wanneer de geachte afgevaardigde een voorstel wil doen om den burgemeester het recht te geven, te kunnen zeggen: gij kunt morgen over 14 dagen ;
naar huis gaan, dan staat het
genoemde eenigszins In de derde plaats
afgevaardigde
strijdig
—
en
hem
vrij,
dit te
Ik acht het hier
doen.
met de constructie van onze wet. dit
punt
is
gewichtiger
gevraagd, of het niet noodig zou
—
zijn,
heeft de geachte
eene overgangsbe-
nemen. In het Voorloopig Verslag is die de leden van de Kamer ontsnapt; ook van aan de aandacht mijn aandacht was er niet op gevallen. Intusschen geef ik aan dien geachten afgevaardigde volkomen toe, dat er, vooral bij ambtenaren vanden burgerlijken stand, wier functiën leiden tot het teekenen van dingen
paling
in
quaestie
deze
wet
op
te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's