Parlementaire redevoeringen - pagina 483
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
BURGERLIJKE STAND. een
afzonderlijk
zou geregeld
van
waarbij
en dan wel,
gelijk hij
hem
behoef
Ik
administratie.
weg ware
wetsontwerp,
zijn,
echter
481
deze materie geheel zelfstandig wenschte, los van de gemeente-
niet te zeggen, dat,
Zaken had kunnen
Binnenlandsche
die
maar had moeten
uitgaan,
uitgaan van het Departement van Justitie. Mijnerzijds
voorkeur aan gegeven,
de
wanneer
ingeslagen, zoodanig wetsontwerp niet van het Departement
burgerlijke
geregeld
stand
te is
blijven in de
er evenwel beslist
is
waarop
lijn,
en de uitvoering daarvan
te
tot
dusver de
laten aan de
gemeente-administratie.
De
geachte
indruk,
dien
afgevaardigde
heeft uiting gegeven aan den pijnlijken gemaakt had, dat bij de bepleiting van dat denkbeeld uitdrukkingen waren gebezigd, die voor het gevoelen der Roomsch-Katholieken, gelijk hij dat vertolkte, niet waren zooals hij meende, dat men van dit Kabinet had mogen verwachten. Ik zal in het daarover door hem geleverd betoog niet treden, omdat het de
uitdrukking
omgaat zeggen, instelling
op hem
het
Memorie
de
in
het
dat
waar
—
van
Antwoord
ik
uitnemend versta, dat
van den burgerlijken stand,
land bestaat, niet met sympathie begroet zijn
gevoelens was toegedaan,
een voorstel
hem
die
tot
regeling,
beleden gevoelens.
Justitie zelf tot de
ik ten zeerste of
Kerk
hij,
Maar
allicht
meer
toch
Alleen
hij
gelijk die
raakt,
niet
door mij aldaar verklaarde.
buiten
op
op
zijn
dit
om
van
standpunt de
oogenblik
— een Minister van
in
ons
Justitie, die
zou hebben kunnen komen met in
overeenstemming met de door ambtgenoot van
— waar mijn geachte
behoort, waarvan die spreker
geroepen
en geheel
wil ik er
deze materie nader
te
lid is
—
betwijfel
regelen, metter-
hem geopperde bezwaren zou ondervangen op de door den afgevaardigde aangegeven wijze. Ongetwijfeld mag niet miskend
daad
de
door
worden de verdienste van de Kerk ook op van
den
staat
der
bevolking
in
tijden,
het gebied van het registreeren
toen het Staatswezen als zoo-
genoegzame ontwikkeling en rijpheid was gekomen om ook deze zaak ter hand te nemen. Doch al stel ik dit voorop, nu er dan komt het mij toch voor, dat het in den huldigen toestand niet meer ééne kerkelijke gezindheid is in ons land, maar tal van kerkelijke gezindheden bestaan, en het aantal zich nog steeds uitbreidt - niet danig nog niet
tot
—
mogelijk
is,
eene regeling
te
vaardigde wordt gewenscht en
treffen, is
zooals
door den geachten afge-
bepleit.
Voorts ben ik van oordeel, dat het door hem geleverde betoog mijn Memorie niet raakt. Waar gesproken is van eene nationaal-historische waaraan ik getrouw wensch te blijven, is hij teruggegaan tot traditie, achter het bestaan van een burgerlijken stand. Daarvan was intusschen 31
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's