Parlementaire redevoeringen - pagina 194
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
192
maar met de zaak
Kan de
zelf.
geachte afgevaardigde zich niet in mijn
toestand verplaatsen en begrijpen, dat, wijze,
maar zeggen,
mij
laat
—
waar men
mishandelen, waar
ziet
zich
op zoo grove
men
bemerkt, hoe
eene machine de guerre, een politiek wapen gesmeed wordt uit valsche geruchten uit het buitenland, die in de pers zóó weersproken zijn als ik
den reporter van de Figaro gedaan heb, en dan toch de oppositiepers maar door ziet gaan met te zeggen, dat het toch wel zoo wezen zal en dat die niet oprecht
verklaringen
zeg
geweest
—
zijn
,
kan
daar niet begrijpen,
hij
dat ik, hier sprekende, behoefte gevoel, het verkeerde, het on-
ik,
te laten uitkomen? nog eene kleine opmerking veroorloven, nl. deze, dat de geachte afgevaardigde, de heer Mees, bij zijn repliek zich niet zoo onschuldig heeft uitgelaten als hij deed in zijn eersten termijn. Hij heeft namelijk nu gezegd, dat mijn reizen als zoodanig wel ter dege aanleiding moesten geven tot het opkomen van dergelijke geruchten. Ik wensch hier te zeggen, Mijnheer de Voorzitter, dat ik, lang voordat ik op deze plaats stond, steeds de vaste gewoonte had,
onvaderlandslievende van zulk een tactiek
politieke, het
Na
die verklaring
gedurende
mijn
schrijden.
En nu
Kamer
de
Ik
minachtend
zal
ik mij
vacantiën
drie
laten
gaan.
te
moet
onmiddellijk de grenzen
altijd
te
over-
Minister noch door de pers, noch door
zal ik mij als
verbieden, in tijden van mijn verlof de grenzen over die
critiek,
alle
daarover wordt uitgeoefend, steeds
ter zijde stellen.
met het oog daarop heeft de heer Mees de zaak zeer erg heeft toch de redenen opgenoemd, waaraan het recht van verspreiding van die geruchten kon ontleend worden, en heeft gezegd wanneer de Minister van Binnenlandsche Zaken met technische
Doch
juist
gemaakt.
Hij
:
bedoelingen op reis gaat en zich
in
een dergelijk
mannen, maar Ministers van Buitenlandsche Zaken, dan
wendt
tot
de
technische
geval niet uitsluitend
Ministers-Presidenten 'en
tot
geeft
er zelf aanleiding toe,
hij
dat die geruchten opduiken. Ik stel hier tegenover, dat de internationale courtoisie
eischt, dat,
technisch
onderzoek
Minister
van
wanneer een Minister in
te
Onderwijs.
stellen,
hij
officieel zich
zich
Een Minister zou
niet in
alleen
voorstelt een
wendt
tot
den
een dergelijk geval
kort doen aan de internationale courtoisie, wanneer
hij
niet
te
vooraf zelfs
een bezoek bracht aan den President-Minister, of aan den Minister van Buitenlandsche
de
hoogte
zijn
Zaken.
Het
is
mij door diplomaten, die zeer
van de vormen, die
in
deze worden
in acht
goed op genomen,
dan ook zonder aarzelen gezegd, dat ik door dit niet te doen zou schieten in datgene, wat mijn officieele plicht eischt.
De
te
kort
geachte afgevaardigde, de heer Schaper, heeft gezegd, dat ik zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's