Parlementaire redevoeringen - pagina 656
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
654
hun gevoelen hebben uitgesproken,
wanneer het zoo met de openinderdaad eene toekomst tegengaat, waarin die openbare school een gevaar zou kunnen opleveren. bare school crescendo voortgaat,
dat,
men
Waar ligt ten deze de fout? Mij dunkt, de fout ligt hierin, dat men wel in deze wet heeft opgenomen het beginsel, dat het onderwijs worden aan de inprenting van
dienstbaar moet gemaakt
houd, maar het
mogelijk
—
deugden,
maatschappelijke
vakken
mag
niet
toonen,
men de
heeft
of
moet
hij
werkelijk
hij
van de wet
—
in
andere
maar voorts tot zelfs
opdrachten en
eerst door het bezit
staat
,
dingen heeft opgedragen,
die
al
Christelijke en
of ik dat persoonlijk voor
uitdrukkelijke conditie gesteld, dat
optreden,
dat
allerlei
Voor
onbeduidendheden.
kleine
laat daar,
het standpunt
is
de wet aan de onderwijzers
in
ik
hij
die
van een diploma
dat alles te onderwijzen.
is,
al
op de school
Maar
van het moeilijkste, het stellen van het onderwijs in den dienst van Christelijke en maatschappelijke deugden, heeft men niets van dien aard opgenomen. Dat heeft men geheel overgelaten aan het goedvinden van den onderwijzer zelf. Dat laat zich begrijpen, omdat in 1857 hetgeen onder Christelijke en maatschappelijke deugden uitsluitend ten opzichte
verstaan was, wel niet klaar en duidelijk was belijnd, maar toch over
te
geheel door de
Er bestond niet verschil van gevoelen over. Maar sinds is dit anders geworden en zijn er onderwijzers gekomen, die omtrent maatschappelijke deugden eene opvatting hebben, die volstrekt niet meer klopt op wat in art. 33 der wet op het lager onderwijs bedoeld is, en die, als men hun vroeg, wat Christelijke deugden zijn, wellicht met Nietzsche zouden antwoorden, dat die Christelijke deugden, in plaats van het leven te verhoogen, het dikwijls verkleinen en verlagen. Terwijl in 1857 niemand er aan zou gedacht hebben, dat onder het opleiden tot maatschappelijke deugden niet ook zou behooren het aankweeken van vaderlandsliefde en van liefde voor het Stamhuis van Oranje, is men thans tot eene opvatting van maatschappelijke deugden gekomen, die dat het
menigte
groote
werd.
gevoeld
veel
uitsluit.
Wanneer wordt ieder
dit
opgevat,
aldus dat
is,
het begrip der ethische evolutie zóó als het
oeverzand, en
naar eigen goedvinden kan worden gewijzigd naar
gemoedsleven,
dan
is
vraag,
of het niet zaak
kwaad
te
in
wanneer
voortdurend wisselt
het
alle is,
ondervangen,
de wet op
te
nemen.
waarborg
—
als
door
te
Dit
oogenblik niet verder wensch
is
uit art.
33 vervallen en
het tenminste
nog
tijd
is
bij
bijzonder
zijn
—
,
rijst
om
de het
dezen opzichte eene nadere bepaling echter een punt, waarop
in te gaan.
ik
op
dit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's