Het heil in ons - pagina 153
!
143
met de Wet Gods en ten tweede met den vloek die op die en bij dezen reeds dubbelen last had nu de perfectist van oude dageen, (want dat was de Farizeër) nog een derden last gevoegd in geboden en inzettingen van ceremonieelen aard bestaande, die geheel het leven omstrikten en orastrengelden en nog ondragelijker dan de hofetikette voor den gewonen burger, zoo heel het levenspad van den Israëliet met voetangels en klemmen, links en rechts, in telkens vooreerst
Wet
rust,
kronkelende bochten belegd hadden. Nu is hier alzoo noch van de Wet Gods noch van den vloek der Wet, maar alleen van dit Farizeesche juk sprake. Ge hebt u dus den gewonen zondaar te denken, die met Wet en vloek beladen, om troost en redding eerst tot den Farizeër en dan tot Jezus komt. Komt hij tot den Farizeër, dan heet het: „Neem dit er nog bij!" en wreed en onbarmhartig wordt dan aan den reeds zoo zwaren last nog het centnerzware jak van „inzettingen en ceremoniën toegevoegd. En dat kan Jezus niet aanzien. Dat snijdt hem door de ziel. Daar moet hij tegen ijveren en tegen profeteeren. En nu roept hij die arme misleide en ongetrooste, tot lastdieren verlaagde zielen, die hij ziet bezwijken onder het juk dat ze torsten, uit de diepte zijner ontfermingen toe „o, Volgt toch die Farizeën niet, maar komt herwaarts, komt tot mij, ik voeg aan den last dien gij torst, niets toe. Ook ik heb een juk, maar o, zoo zacht, een last, maar o, zoo !" licht, ik uw Jezus, uw redder, geef u ruste aan uw ziel En met de heilige ironie, in dit laatste onmiskenbaar, gaat Jezus dan nog een schrede verder en opent het heerlijk uitzicht op vrijmaking, ook van die Wet, op verlossing, ook van dien vloek, ja op algeheele ontlasting der vermoeiden en beladenen van ziel :
Twee
stadiën alzoo.
Vooreerst. droegt. Ik,
En
nieuwen
uw
Farizeër
legt
een
nieuwen
last
op
wat ge reeds
Jezus, voeg er niets aan toe."
met ironische
zinswending, nog verder gaande, zegt de Farizeër wil u redden, door aan wat ge reeds torst, een last toe te voegen. Ik, uw Jezus, kom u troosten, door op
dan,
Heere:
„De
uw
„De
last een juk te leggen, waardoor die last al zijn wicht zal verliezen. Niet slechts kom ik uw last niet verzwaren, maar wil dien zelfs verlichten. Verlichten niet maar ten deele, maar geheel en al. Ja, zoo zacht zal mijn juk worden bevonden en zoo licht mijn last, dat ge ten leste niets meer torst en als „een afgebonden lastdier, afgaande naar de vallei, nu ruste, heerlijke ruste vindt voor uw ziel." Weet nu ieder, dat elk Christen, elk kind van God, elke verloste en vrijgekochte des Heeren, ervoer en belijdt en volstandig erkent, dat de doodelijke last der Wet geheel van hem is weggenomen; dat Christus hem verlost heeft van den vloek der Wet, vloek geworden zijnde voor ons: en dat, „al is het dat hij al Gods geboden overtrad
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's