Het heil ons toekomende - pagina 223
;
!
213
De
geschiedenis meldt dat in de vorige eeuw aan het Fransche hof wellustelingen verkeerden, die, na hun eigen levensbloed in
verfijnde
brooddronkenheid opkochten, in
wier
en uitspatting te hebben verteerd, jonge kinderen aderen men opensneed, om door dit jonge bloed, aderen overgeleid, de levenskracht voor nieuwe uit-
hun kranke wekken Hoe noemt ge dat, indien
spatting op te zich,
het ook
zij
met
het
niet
verschil in graad
duivelsch
is
!
En
openbaart
van boosheid, niet dat zelfde
demonisch karakter in de botgevierde drift, in uitgezochte wreedheid, in plaag- en tergzucht, in de woeste uitbarstingen van den wrok en de bedekte loopgraven van den nijd'? Is het niet merkbaar, dat achter en door het vleesch telkens een booze gedaante gluiirt, die den reeds aan het vleesch gebonden mensch nogmaals in een dieper, veel afschuwelijker afhankelijkheid vernedert? Dit kan niet anders. Het vleesch had de bestemming voertuig en instrument voor den geest te zijn. Nu het den geest des menschen niet dienen wilde en derhalve geen voertuig meer kon zijn voor den geest des Eeuwigen, moest het zichzelf wel prostitueeren als voertuig en instrument voor den geest van den Booze. Op dien grond zegt de Apostel, dat we den strijd niet hebben met „vleesch en bloed," dat deze slechts de geschutpoorten zijn, waardoor men ons bestookt, maar dat de eigenlijke aanval van verder en dieper komt; niet uit het vleesch, maar van de geestelijke boosheden. Er is in den gevallen mensch geen stilstand ook in den onbekeerde is iets bezig te worden maar die werking is uit het er wordt ook in hem gegenereerd onheilige die een gestalte in hem zoekt te winnen, is de Booze. „We hebben zijn versmading aanschouwd, een smaadheid als van een !" geborene uit den Sathan En wat komt nu uit dien mensch voort? Is het dat volle rijke leven, dat, wijl het immer welt en zich geeft, met de liefde eenzelvig is? Is het dat wondere leven, die geheimzinnige kracht, die altijd wellend, toch nimmer wordt Tiitgeput, maar integendeel, hoe meer het geeft en schenkt en dus lief heeft, zelf zich te rijker en heerlijker ontplooit? Is het ook bij hem nog een leven vol van gratie, vol van liefde, vol van genade? Ach, voor gratie vindt ge innerlijke armoe, voor liefde zelfzucht, in stee van genade nistelooze uitputting en zelfvernietiging. Die zelfzucht komt niet als toeval bij zijn verzinking in ;
;
;
onmiddellijk uit voort. Door vleesch te leeg, ontbloot van dien overvloeienden rijkdom, die alleen in het leven des geestes is. De schatkist was leeg geschud, alleen de boeken, als afdruk dier schatten, had men overgehouden, en armoe, het kan niet anders, brengt er van zelf toe, om meer op nemen dan op geven bedacht te zijn. Daardoor werd 's menschen leven in zijn tegendeel omgekeerd. Een fontein te zijn, waaruit de stroomen van kracht, liefde en leven rusteloos welden, was het
vleesch,
maar
vloeit
er
worden, werd de mensch arm,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's