Heils termen - pagina 225
315
XIV.
GODS LIEFDE EN ONZE EEUW. Bewaart ii zelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Judas vs. 21. Jezus Christus.
begrepen, uit zoo onnaspeurbare diepte wellend, is de liefde Gods het eenig reddend medicijn, waaraan onze eeuw, onze Cbristenlieid en ons eigen hart behoefte heeft. Onze eeuw is van de liefde Gods vervreemd. Ze gelooft niet meer in God, wijl zijn liefde haar niet meer aantrekt. Wat ze van die liefde hoorde, boeide haar niet. Niets dan eene koele verklaring, zonder een hart dat in dat woord zich uitsprak, was de heugenis van de liefde Gods, die de weggestorven en ontzielde Kerk haar uit de vorige eeuw overbracht. Evenmin was er iets, dat haar toesprak in het sentimenteel gelispel over den „lieven Vader daarboven," waarmee de gevoelskinderen bij haar aanvang het gemis aan echten levensgloed zochten te bedekken. En nog minder voelde ze het hart in trilling geraken, toen het verstand het gevoel terugdrong, en Groningers en Modernen beurtelings haar een systeem voor oogen deden schitteren, waarin de liefde Gods de zachte lijn vormde, waaronder het mysterie van ons leven en lijden sehier onmerkbaar verdween. Zoo hoorde ze wel veel van Gods liefde, maar men bracht haar met die liefde Gods niet in
Zóó
aanraking. Gods liefde werd voor haar geen werkelijkheid, waarmee ze rekende, geen kracht waarop ze haar vertrouwen stelde. Met de noodlottige uitkomst, waartoe ze geraakte, dat ons spreken van de liefde Gods slechts vrucht der verbeelding was, verloor ze wel een schoonen klank voor haar liederenboek, maar geen werkelijken schat uit haar leven.
zich aan, om zonder Gods liefde te leven. Ze gede strijd bang zou zijn tegen de machten, die haar den dood zwoeren, maar ze achtte zich sterk genoeg. Ze had zooveel ontvangen. De haar toebehoorende talenten waren zoo schitterend, de haar van het verleden toegekomen, zoo moedgevend, de erfenis, gezichtseinder van de toekomst zoo onbewolkt. Wat zou ze zich nog ophouden bij een station van machteloos geloof, dat op de proef ondoeltreffend was gebleken. Ze was aan deze begoocheling der kindsheid ontwassen. Mondig zich gevoelend en in het onafgebroken besef harer kracht, zou ze in eigen kracht, met eigen hand, door eigen vastberadenheid zich een weg banen, waarlangs de trein haars levens voort zou rollen. En werkelijk, ze deed veel. Nog ^oet ze wonderen. Zij
voelde
gewende wel,
dat
er
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's