Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Nadere verklaring - pagina 11

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nadere verklaring - pagina 11

2 minuten leestijd

9 deze aan mi] en niet aan den penningmeester van tiet Provinciaal Comité, omdat zij niet wisten wie deze penningmeester was. De reden

waarom

ik

aan mij-

ais Voorzitter aanbleef, stond alleen

beoordeeling en reeds op 23 September 1904 besprak

zelven ter

in de Eerste Kamer. Ik deed dit uitsluitend, omdat door omstandigheden mij daartoe verplicht achtte, maar was zelf hiermede zoo weinig ingenomen, dat ik in September 1904 mijne inzending van ontslag inleidde met de woorden: „Op zichzelf, Mijne ik

deze zaak

ik

Heeren, heb

voorzitterschap in actieven zin steeds onvereenig—

ik dit

baar geacht met mijne tegenwoordige betrekking."

door

gedrongen,

plichtbesef

heb

aanbleef,

Nu

ik

intusschen

ook

dan

ik

aan de penningmeesters overge-

niet alleen gelden als Voorzitter

maakt, maar ook adviezen op aanvraag verstrekt, en eens zelfs nog eene huishoudelijke vergadering gepresideerd. Dat ik ook na de in-

zending van mijn ontslag nog enkele bijdragen ontving en aan den vond zijn oorzaak hierin, dat mijn thesaurier overmaakte, ontslag

niet

staande

te

dan ook

aanstonds was

houden, dat

ik

publiek gemaakt.

Elke poging

om

een en ander als minister deed, weerlegt

zichzelf. In zijn particuliere leven doet elk minister allerlei

dingen, waarvan niemand met gezonde zinnen zeggen ö/s/72zn/sfer deed.

Het sterkste voorbeeld

wet

stelt,

dat iemand, die minister

kan

zijn.

Wie

toch

zal,

waar

dit

is,

is

zal,

dat

hij

ze

Grond-

hier wel, dat de

tevens lid der Staten-Generaal

geval zich voordoet, ooit beweren

durven, dat hetgeen zulk een Kamerlid doet, spreekt of

schrijft,

ge-

daan, gesproken of geschreven is door den Minister. Men ziet hieruit, hoe volkomen onjuist de gevolgtrekking was, om elke briefkaart en eiken brief van iemand, die tevens minister was, als een schrijven van den ministerie doen voorkomen, zelfs ook al behandelde het

een en ander dat met het staatkundig leven in verband kon staan. In correspondentie blijft, ook wie minister is, geheel vrij, en

zijn private

dan zou de Kamer zich hierin mogen mengen, indien uit die correspondentie het bewijs kon worden geput, dat de schrijver alleen

er zich ambtelijk in

verbond.

Ter zake komt het dus altoos weer manti incumbit probatio. Als iemand u dat ge te zijnen

laste

een

smadelijk

neder in

op

het

ajfir-

het publiek aantijgt,

gerucht hebt uitgestrooid,

is, maar moet hij zelf waar maken, dat ge hieraan schuldig staat. Van zulk een bewijs nu valt nog altoos in casu schijn noch schaduw te ontdekken. Iets wat feitelijk in het V. V. wordt toegegeven, daar men zich poogt te behelpen met beweringen, welke men geheel ten onrechte wil doen voorkomen als kracht van bewijs bezittende vermoedens. Vermoedens toch hebben alleen dan kracht van bewijs, zoo elke

hebt niet gij te bewijzen, dat dit niet zoo

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's

Nadere verklaring - pagina 11

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 28 Pagina's