Het heil in ons - pagina 172
162
En
gehuld in den uitnemenden vorm, waarin de Engelsche beweegt, en dieper gehuld nog in het kleed van den vreemde, dat zoo menige wonde voor het oog pleegt te bedekken, had metterdaad ten gevolge, dat de misleiding volkomen was. Toch werd, gelijk altijd, zoo ook hier het onwezenlijke eerlang van het ware geschift door de feiten, die straks door den Heiligen Geest vertolkt, een schifting brachten ook in de zielen. Men weet wat aan Smith zelf overkwam. Men weet ook hoe de godzaligsten in Engeland zich spoedig afkeerden. Men weet ook hoe er allengs geruchten van booze leer gingen loopen, die eerst schuil waren gehouden. Men weet ook hoe zelfs ten onzent een zondig mensch, als ieder onzer, zich zooverre vergat van openlijk aan zijn toehoorders te vragen: „Wie uwer overtuigt mij van zonden!" Natuurlijk, toen was het uit. En toen nu bijna overal gebeurde, wat men ook ten ontzent zag, dat de onvaste geesten, de synergistische lieden, de Arminiaansche fanatieken en de vijanden van een dieperen gang, zich almeer van dezen stroom meester maakten, toonden dat ze er zich in thuis voelden en allerwegen in al grover geestelijke extravagantiën uitspatten, toen moest het licht der waarheid ook over deze droeve verschijning wel opgaan en kon het niet anders, of de echte zonen van ons Nederlandsch-Calvinistisch, d. i. diep-ernstig geestelijk leven, moesten wel, voor zoover ze op deze wateren waren afgedreven, tot de beschamende belijdenis komen, dat ze zich én intellectueel én, wat erger is, in geestelijken zin, bij de beoordeeling van deze verschijning vergist hadden, en wel met een vergissing die, verre van onschuldig zijn, veeleer leiden moest tot inkeer en mannelijke belijdenis te dit alles
Christen
zich
van schuld.
Van
zich hiermee ook de steller dezer en te onomwondener, naarmate door hem juist in te wijder kring de hope gewekt is, dat met dit ritselen van den wind des daags het suizen des Geestes zou komen. In hoeverre de hooggaande overspanning van het zenuwleven, die kort daarop in zoo ernstige krankheid uitbrak, meê bij de verklaring van deze mistasting in rekening mag komen, sta aan de geestelijken onder Gods kinderen, sta bovenal aan den Kenner van lijf en ziele beide ter beoordeeling. Misschien mag ook gezegd, dat het gebrekkige onzer theologische opleiding, die beter thuis maakt in de doolpaden der critiek dan in den doolhof van het geestelijk leven, aan zulk een mistasting
die
voorstukken,
pijnlijke
en
hij
taak
kwijt
te eer
blootstelt.
Maar wat ook niet uit
ter verzachting strekke, dit alles neemt het feit weg, dat hier voedsel was geworpen in een vuur, dat ten deele ongoddelijke spranken opgloorde, en hierover schuld te belijden,
acht schrijver dezes, niet slechts zijn plicht, maar ook zoet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's