Dat de genade particulier is - pagina 201
:!
191
Zoo toch klaagt men metterdaad tegen de particulier bedoelde genade, en heeft daarbij onvoorwaardelijk het getuigenis der consciëntie en de inspraak van het hart op zijn hand. Want ja, dat stemmen we van heeler harte en gansch onvoorwaardelijk toe: afschuwelijker en smadelijker kan er aangaande het hooge en eeuwige Wezen niets geleeraard worden, dan door het voor alsof God de Heere „precies evengoed" en „met hetzelfde en dat het Hem hoogstens een woord had hoeven te kosten, ook die andere duizendtallen van millioenen, die nu verworpen zijn, voor eeuwig deelgenooten had kunnen maken dierzelfde gelukzaligheid, die thans aan zijn kinderen is beschoren. Men stelt het zich dan voor, alsof God de Heere die gansche massa van ongelukkige, en vooral beklagenswaardige, slachtoffers voor zich had zien liggen, en het nu in zijn macht had gehad om met één opheffen van zijn goddelijken vinger, met één bewegen van zijn goddelijke lippen, die eindelooze myriaden gelukkig te maken; maar dat de Heere nu, het zij met eerbied gezegd, uit niets dan een gril, gedreven door een goddelijke luim, nu zoo bij zichzelven gedacht had: „Neen dat doe ik niet. Die anderen wil ik nu eens niet helpen. Die moeten, om mijn strengheid te doen uitkomen, nu maar voor eeuwig verloren gaan." En alsof de Heere onze God, toen, zoo op goed geluk af, zijn oog op dezen en op dien had laten vallen, zoodat zij, op wie dan toevallig dat goddelijk oog viel, deswege en daardoor voor eeuwig
te
stellen,
gemak"
waren verkoren.
Een schrikkelijke voorstelling, die we geen oogenblik aarzelen als gansch en al Gode-onwaardig en Godes eere beleedigend op zijde te schuiven en te verwerpen. Want dat zou dan zijn, men vergeve ons de vergelijking, alsof iemand een vesting bestormd hebbende, wel alle inwoners kon laten leven, maar nu dacht: „Neen, ik maak ze liever allen dood, en zal er hoogstens een stuk of tien, twaalf uitkippen en als zeldzaamheden naar mijn land zenden." Of ook, alsof iemand, er op aan komende loopen, dat er twintig menschen tegelijk in het water liggen en ze wel allen er had kunnen uithalen, tot zichzelven zegt „Neen, ik zal ze liever op enkelen na allen laten verdrinken en mijn reddingskoord alleen toewerpen aan dezen en aan dien!" Of erger nog, dat iemand, ziende dat er brand in een krankzinnigengesticht alle is uitgebroken, en den sleutel in handen hebbende, waarmee hij cellen en kamers ontsluiten kon, aldus bij zichzelven overlegt: „W^eet ge wat ik doen zal? Ik zal cel 3 en 7 en 11 en 31 open maken, maar al die anderen die wil ik nu eens; wijl ik het zoo goedvind; in hun vertwijfelenden doodsangst laten verbranden." Zie, tegen zulk een voorstelling revolteert het menschelijk gemoed Stond er onder menschen zulk een gewetenlooze en hardvochtige tiran op, men zou hem onder aller zedelijke veroordeeling laten bezwijken en juichen
als
hem
de hand der gerechtigheid
trof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's