Heils termen - pagina 61
51
en van het ongeloof weer naar het geloof terug, even uitvoerig als bij den eersten Patriarch beschreven wordt. Ook Mozes toch weigerde zich op 's Heeren woord-alleen uit Midian's woestijn naar het land der Faraönen op te maken, en ook hij stelde zich tegenover den Almachtige met dien onwil, die het hart blijft beheerschen, zoolang het niet door een volkomen geloof is verbrijzeld. En wat doet ook hier de Heere, bij de worsteling die Hij in de ziel zijns geroepenen aanschouwt? Immers niets anders, dan Hij bij Abraham deed: aan het Woord een Teeken toevoegen, en met de kracht van dat Teeken breekt ook in Mozes hart het geloof ten volle door. Ja meer nog. Niet hem slechts, maar ook het bedrukte Israël werd juist door dat driedubbele Teeken (van de melaatsche hand, den tot een slang geworden staf, en het in bloed veranderd water) het geloof aan de sprake Gods in het hart geboord. Nauwlijks toch komt hij tot Israël in Egypte, en voegt bij het Woord Gods het Teeken des Heeren, of datzelfde Israël, dat eertijds hem smadelijk uitwierp, gelooft Avat hun van den Heere gezegd wordt, en neigt in aanbidding ongeloof,
het hoofd ter aarde.
minder opmerkelijk is wat Jesaia ons in het 7de Hoofdstuk Godspraken van zijn ontmoeting met Koning Achaz heeft opgeteekend. Het was een ontzettend oogenblik, toen de profeet in naam des Heeren den ontrouwen Koning, vlak bij de uitwatering van het Jeruzalemsche kanaal, tegemoet trad. Door Achaz' schuld werd Jeruzalem bedreigd. Zijn ondergang zou rechtvaardig zijn. Maar Achaz is uit Davids zaad, en om des Messias' wil keert de Heere zich nogmaals in zijn ontferming tot den schuldigen Koning, hem zelfs nu nog, nog in het hachlijkst oogenblik, zijn onfeilbare hulpe biedend, mits met den buitenlandschen vorst breken, en weer Jehovah's dienaar hij worden wil. En Achaz zwijgt. Hoe flauw ook, toch was er ook in zijn hart een worsteling van geloof en ongeloof. En wat doet nu de Heere? Zie, gelijk eens bij Abraham en Mozes en Israël, zoo komt ook tot Achaz met zijn reddende hulpe, en biedt ook hem, niet hij anders dan hij hun geschonken had, namelijk een Teeken. „Eisch u een Teeken," zoo spreekt de Heere tot hem, „eisch u een Teeken van den Heere uwen God, eisch beneden in de diepte, of eisch boven uit de hoogte." En nu eerst, nu Achaz zich ook daartegen verhardt, en zeg-t: „Ik zal niet eischen," nu eerst komt met het afslaan van het Teeken het ongeloof voor altijd in hem boven, en keert het woord der ontferming over Achaz zich in een woord der grimmigheid om. En mocht iemand wanen, dat deze kracht van het Teeken alleen voor de bedeeling des Ouden Verbonds gold, hem willen we uit de Schriften zelve des Nieuwen Verbonds toonen, dat ook voor de nieuwe bedeeling het teeken onverflauwd en onverzwakt zijn volle geldende kracht behoudt. Het eerst wijzen we daartoe op Zacharias en de Niet
zijner
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's