Dat de genade particulier is - pagina 40
30 Wil raen nu weten wat dat „alle menschen" in de voorbidding bedan geeft vers 2 een duidelijk uitsluitsel. Daar toch is sprake niet van den souverein van één enkel volk, maar van alle volkshoofden, souvereinen of opperheeren, onverschillig of ze den titel van koning voeren, of shah of mogol heeten. Er wordt dus geprotesteerd tegen het bidden alleen maar voor tegen het enghartige nationale het eigen volk, voor den koning van zijn eigen land, voor zijn eigen opperhoofd; alsof men niet tot de menschheid behoorde, en geen banden aan heel het geslacht had. Neen, verre vandaar, zegt Paulus: „gebeden en gedankt moet er teekent,
;
worden, volstrekt niet alleen voor en in uw eigen kleinen levenskring, maar voor alle volk onder de menschen en met name voor de hoofden want zoo wil dier volken, laat ze dan koningen of archonten heeten de Heere God het, die wil dat niet een enkele natie, maar alle volk onder menschen zalig zal worden. Want alle natiën hebben maar éénzelfden God, en tusschen dien God en alle volk onder menschen is er maar één Middelaar, de mensch Christus Jezus, die zichzelven voor alle natiën heeft overgegeven, waartoe ik een prediker en apostel gesteld ben, o let er op, want ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet: een leer aar onder de heidenen. ;
En
voeg hier nu ten derde nog bij, dat bovendien ook geheel de van de pastoraalbrieven de door mij gewraakte opvatting eenvoudig niet toelaat. In deze brieven aan Timotheüs en Titus toch, openbaart ons de Heilige Geest zeer uitdrukkelijk het hooge en heerlijke feit, dat Christus Jezus zich zelven voor ons heeft overgegeven, om zich zelven een eigen volk te reinigen (Tit. 3 14), Dat deze verzoening plaats heeft gehad krachtens het eeuwig raadsbesluit: naar zijn eigen voornemen en genade, ons gegeven in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen (2 Tim. 1 er in 9). Dat degenen die hierin besloten zijn, besloten zijn naar uitverkiezing „Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen (2 Tim. 3 10), en „naar het goiooi Aqy uitverkorenen"" leervoorstelling
:
:
:
:
(Titus 1
:
1).
Wordt ons voorts gezegd, dat deze uitverkiezing niet gaat naar de werken, maar naar Gods wil en barmhartigheid : „Niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade" (3 Tim, 1 9), en: „niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hebben, maar naar zijne barmhartigheid" (Tit. 3:5). Dat sommigen gesteld zijn in het groote huis als vaten der eere, anderen als vaten der oneere: „Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten en sommige tot eere, maar sommige tot oneere" (2 Tim, 2 20), Waarmee niet bedoeld is hooger of lager dienst in het Godsrijk, maar :
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's