Dat de genade particulier is - pagina 20
iü
Daaruit
nu
dat
we spreken van een genade
die particulier, d.
i.
dat er anderen zijn die van de genade leeren, dat ze niet particulier, niet bijzonder, maar universeel of algemeen is. Wil nu in het onderhavige verband „particulier" „betrekking hebbende niet op alle menschen, maar op zeo-o-en bijzondere personen uit die allen"; dan spreekt het vanzelf dat de
bijzonder
is,
volgt
reeds
terstond,
:
pleitbezorgers van een universeele of algemeene genade, die tegen ons overstaan, een genade prediken „die wel allen menschen aangaat en niet tot bijzondere personen beperkt is." is intusschen nog schier geen enkele' op het ingewikkeld onderwerp gevallen. Immers, indien ge beweert, dat de genade feitelijk, naar de uitkomst, en dus daadwerkelijk niet aan allen, maar slechts aan bijzondere personen uit die allen, ten goede komt, scharen de tegenstanders van zoo straks zich plotseling w^eer aan uw zijde, en geven u met zekeren nadruk te verstaan: „dat ze dit ook zelf heusch nooit anders hadden opgevat, en het ergerlijk zouden vinden, indien men dit ooit
Met deze vage onderscheidiag
lichtstraal
anders opvatten dorst!" En in dien zin laat niet slechts een enkele, maar een iegelijk zich die nog den Christus en de verzoening in zijn bloed belijdt; uit, met uitzondering alleen van die nu pas weer insluipende ketters, die u eerst in het oor fluisteren en straks van den kansel leeren, dat „onbekeerd te sterven" nog niet voor de eeuwigheid beslist; dat men ook nog aan de overzij van het graf zich kan bekeeren; en dat, na eeuwen en nogmaals eeuwen, ten langen leste, alle menschen zich daarboven wel bekeeren zullen en dus allen behouden worden. Want natuurlijk, wie dat leeren en drijven en alzoo nog achter het Yagevuur omloopen, die kunnen zelfs het denkbeeld van een particuliere genade niet meer verstaan. Yoor die geldt de onverbiddeGods niet meer. En met die is niet lijke eisch der gerechtigheid meer te redeneeren, overmits ze immers, blijkens deze ketterij zelve, het beter meenen te weten dan de Heilige Schrift. Maar sluiten we" die er een oogenblik buiten en rekenen we nu in onze gedachten alleen met zulke belijders van den Heere, die nog „wie wel, ja waarlijk overeenkomstig Gods Woord gelooven, dat onbekeerd sterft het leven niet zien zal!" dan ligt het geheel in den aard der zaak, dat deze allen, met ons dan ook een genade belijden, die particulier uitkomt en feitelijk slechts voor bijzondere personen
middel
ter
behoudenis
blijkt te zijn.
zoudt, hiermee ook maar iets gewonnen hebben, vergist ge u volslagen, want wat men u daarmee toestemt Een tweemaal zeggen is, welbezien, nog niets dan een woordenspel. van hetzelfde. Een toestemmen, dat een genade „die feitelijk niet aan allen ten goede komt," dan ook „niet allen ten goede komende,"
Maar
als
ge
nu denken
te
d.
i.
particulier,
is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's