Het heil in ons - pagina 40
:
30 Gods. Er zijn eerst krachten uit den hooge in deze ingedragen, er is een volk afgezonderd, dat volk is geheiligd, aan dat volk zijn openbaringen des Heiligen Geestes gegeven, in dat volk zelf is een levensterrein geschapen, waarop alle elementen aanwezig zijn, die het „Bekeert ii!" zin en beteekenis en doordringende werking kunnen leenen. Er lag iets achter de bekeering! Dat iets lag nog in raadselen gehuld, was nog niet het bezit van den enkele, ging nog geheel in den samenhang met het volk op. Maar niettemin, dat iets was er, dat iets was een daad Gods, een alomvattende daad, een daad van herschepping. „Aanschouwt," dus heette het reeds in Mozes' profetieën, „den Eotssteen die ulieden gegenereerd heeft!" En bij Jesaia klaagt de vrome kern des volks in gelijken zin „Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet, maar Gij zijt onze Vader. Gij zijt onze Vader, en wij Gij, o Heere zijn leem, Gij zijt onze pottenbakker zijt onze Yader, Alzoo zegt de Heere, uw onze Yerlosser van oudsaf is uw naam Schepper, o, Israël! De Schepper Israëls, ulieder Koning!" Proeft, tast men hierin de wedergeboorte niet? Een God die Israël heeft gegenereerd, die Israël heeft geschapen, die Israël heeft geformeerd gelijk een pottenbakker het leem, en die daarom Israëls Vader heet, de Eotssteen, waaruit het is gehouwen? Toch, en hier lette men op, dat denkbeeld der wedergeboorte slaat op Israël als volk, nog niet op den enkelen geloovige. Wel is die herscheppingsdaad ook aan den enkelen geloovige volbracht, maar ze schuilt nog in het duister, ze blijft nog verborgen; al wat tot den Israëliet persoonlijk gezegd wordt reeks van daden
wereld
:
!
!
!
„Bekeer iiV' Yraagt men of dan ook de jjé^rsoo^i/'j/Aje wedergeboorte, onderscheiden van die des volks, niet reeds in het Oude Testament wordt aangeduid, dan dient ongetwijfeld in toestemmenden zin geantwoord. Ze treedt ook reeds in het Oude Testament op als aankondiging van persoonlijke leyensvernieuwing. Ezechiël is de profeet dezer diepste, het al verklarende gedachte. Bij Jesaia zelfs blijkt de enkele persoon nog in den samenhang met zijn volk gebonden. Bij hem hooren we van een „nieuwe aarde en een nieuwen hemel;" bij Jeremia van een nieuw verbond;" maar bij Ezechiël heet het: „Ik zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u en Ik zal het steenen hart uit hun vleesch wegnemen en zal hun een vleeschen hart geven ;" en straks „Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest in het binnenste van u!" Eerst daardoor wordt die nieuwe naam verklaard, waarvan Jesaia jubelde, en waarvan hij getuigde, dat de Heere dien naam uitis
:
drukkelijk noemen zal. Eerst hiermee is de openbaring des Ouden Yerbonds voleind. Ze begon met de feitelijke wederbaring en bekeering der Patriarchen. Ze teekende de bekeering in Jacobs persoonssplitsiug en Israëls versterven en herleven. Toen kwam ze tot het woord, dat de roepstem tot be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's