Het heil in ons - pagina 234
224 zijn belijdenis, zijn oefeningen, zijn gebed. En de natuiirwereld en daartoe behooren zijn gezin, zijn lichaam, zijn beroep, zijn omgang met menschen. Zoo wordt zijn geloof een dorre abstractie, wijl het de oefenplaats mist. Zoo blijft zijn leven ongewijd, wijl het door geen hooger licht bestraald wordt.. Daartegen nu protesteerde onze Gereformeerde Kerk luid en practisch door haar op den voorgrond stellen van de Tucht. De tucht was haar de practische vertolking van wat ze in de articuli mixti leerde. Godsdienst en leven geen artikelen die onvermengd naast elkaar mochten staan, maar wel terdege vermengd elkaar innerlijk moesten doordringen. Hetzelfde geldt van den overouden strijd tusschen gelooven en weten. Beide te scheiden ligt voor de hand, en gaat men, om den wortel der dingen te vinden, niet achter den zondeval en achter de Schepping tot in deu raad Gods terug, dan is er niet wel een andere oplossing, dan om het weten als een geloof der zichtbare dingen, het geloof als een weten van onzienlijke te omschrijven. Heeft men daarentegen met deze scheiding geen vrede, weigert men het weten tot waarneming en inverbandbrenging van hetgeen de zintuigen zien en hooren te beperken, kan men niet toegeven, dat deze deeling van de menschelijke persoonlijkheid geoorloofd zou zijn, en blijft men van oordeel, dat de rede, mits vrijgemaakt van de banden der zonde, het orgaan is van een menschelijk bewustzijn, dat niet slechts het tijdelijke maar ook het eeuwige omvat, dan is uiteraard ook de tegenstelling van gelooven en weten overwonnen, en is bij de zichtbare zoowel als bij de onzichtbare dingen het geloof de levensbodem, waaruit de plante der kennis en des wetens haar levenssappen trekt. Ten slotte wezen we op de verhouding van Staat en Kerk. Staan natuur en genade als twee elkaar in oorsprong vreemde machten naast elkaar, dan moet van tweeën één gebeuren of de Staat moet, als natuurmacht, gebonden worden door de Kerk, of de Kerk moet, als stichting der genade, gebonden worden door den Staat. Het eerste wilde Kome, het tweede de drijvers van den godsdienstloozen Staat. Calvijn daarentegen beweert, dat zelfs in landen en bij volken, waar het Evangelie nog niet gekend is, de overheid optreedt als dienaresse Gods, door de natuurlijke Godskennis weerhouden wordt om den godsdienst uit te roeien en krachtens de natuurlijke Godskennis haar recht en wet tot draagster maakt, zij het ook op verzwakte wijze, van het recht en de wet Gods. Dit standpunt is het eenig ware. De Staat heeft de practische werkelijkheid te nemen gelijk die zich aan hem voordoet, en kan dus niet ontkennen, dat zijn burgers, in hun veelheid genomen, een God belijden. Deze belijdenis brengt met zich, dat zij dien God erkennen, als staande ook boven de overheid. Deswege moet hij kiezen. Beschouwt hij deze belijdenis van God als onwaar en valsch, dan moet hij ze uitroeien, want ze ondermijnt dan
hooren
zijn
anderzijds
Bijbel,
in
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's