Practijk der godzaligheid - pagina 262
354
De keur
der
spijzen
is
een kunst,
de verfijnde toebereiding een
culinaire wetenschap geworden. Van eenvoud in drank en spijs nauwlijks een spoor meer. Hand over hand neemt de weelde des levens en daarmee de steeds
hoogere eisch van het lichaam
Ook
eeuwen
toe.
gebanket en gemaaltijd en waren de drinkgelagen vaak buitensporiger dan thans. Maar, en ziehier het groote onderscheid, dit was uitzondering^ staande tegenover den gewoonlijk hoogst eenvoudigen leefregel. Naarmate thans het hooger levensideaal het deel van al minder, bijzonder bevoorrechte, uitverkoren geesten werd, is het „goed en wel" op aarde hebben voor al meerderen éénig levensdoel geworden. Kenteekenend is de hinderlijke zegswijs van „lekker maken" en „lekker zijn," die uit de Indische maatschappij ook in de onze doorin
vorige
is
dringt.
men
niet dat deze heerschappij van het lichaam, van het van de steeds kieschkeuriger tong, schadelijk op den geest werkt en de functiën der ziel verstoort? Vreest men haar invloed niet op onze kinderen? Is men voor eigen hart en geest zóó buiten
Acht
vleesch,
gevaar? Durft men beweren dat althans onze Christelijke kringen voor deze min edele weelde gesloten zijn? Onze kennis van den toestand weigert ons den moed te geven, die ten deze in stil vertrouwen kan doen rusten. De weelde des levens is vooral in onze dagen één der factoren die strijd voert ook tegen de kracht van den Christelijken geest. Zou dan in zulke dagen de practijk des vastens zoo geheel te veralle
smaden
zijn?
Spreekt ook Paulus niet van een „bedwingen des lichaams en een brengen van het vleesch tot dienstbaarheid"? We vragen slechts. Ieders consciëntie antwoorde. Voor zooveel eigen ervaring aanbeveling mag zijn, meenen we te kunnen getuigen, dat hier metterdaad macht schuilt. En nu weten we wel, dat de Staat geen vasten meer kan uitschrijven en dat althaos de Hervormde kerk er de geestelijke macht toe mist, maar zien toch niet in, dat daarmee het laatste woord behoeft gesproken te zijn. Zijn er geen kerkeraden, die ten deze althans voor hun gemeenten iets
doen konden?
En
gesteld al, dat ook dit ondoenlijk bleek, hebben we dan onze huiskerken, het geestelijk leven in onze huisgezinnen niet, met den vader des gezins tot priester en die met hem wonen tot leden?
Hoe
dit
Ziehier,
dan niet
te
doen ware? maar
als regel,
als
aantooning der mogelijkheid, wat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's