Heils termen - pagina 34
24 de namen van „Yerlosser" en „Heilige Israëls" van hun algemeenheid te ontdoen, en in de scherpgeteekende lijnen der Schrift te plaatsen, dan twijfelen wij geen oogenblik, of een veel rijker licht zal ons opgaan over de beteekenisvolle plaats, die Gods Drieëenheid ook reeds in de Schriften des Ouden Yerbonds inneemt. Allereerst moet daartoe de meening weerlegd, als of de naam „Heere der Heirscharen," hetzij dan uitsluitend, of althans in de eerste plaats, op het strijden Gods voor Israël in zijn oorlogen zou doelen. Ware dit zoo, dan gevoelt elk, dat het opkomen van dien naam zou moeten vallen in de jaren van Israëls strijd met de Kanaanieten, en tot zijn hoogste eere moest gekomen zijn tijdens de rustelooze oorlogen, die David, als strijder Gods, voor Israëls grootheid heeft gevoerd. Intusschen niets is minder waar. De boeken van Mozes, Jozua en de Eichteren, die ons Israëls strijd met Kanaan in al zijn vreeslijkheid teekenen, zijn met den naam „Heere der Heii'scharen" nog volstrekt onbekend; in de boeken, die uit David's en Salomo's dagen tot ons zijn gekomen, wordt die naam of niet of uiterst schaars gebruikt; en tot zijn volle ontplooiing, tot zijn luisterrijke ontwikkeling komt die naam eerst door Jesaia, Jeremia en Zacharias, waarin de beide eersten Israël veeleer van het „-«laan met het zwaard" zochten tegen te houden, en de laatste in Israël optrad, toen aan het voeren van oorlog door Israël zelfs niet meer werd gedacht. Maar bovendien, de God, die Israël in den strijd beschermt, wordt niet „Heere der Heirscharen," maar de „God der slagorden van Israël" genoemd. Zeer zeker, de „Heere der Heirscharen" is de God, die voor Israël strijdt, maar beiden worden in Davids woord tot Goliath op het nauwkeurigst onderscheiden (1 Sam. 17 45). En zoo al, gelijk de naam van Heirscharen" met het in Psalm 24 „Heere der 8, denkbeeld van „strijd" wordt saamgevoegd, dan toont heel de samenhang, dat niet de strijd van Israël met de volkeren bedoeld is, maar de strijd van den „Koning der eere" zelven tegen de geesten uit den Afgrond. In geheel den 24sten Psalm toch is van Israëls oorlogen ook niet met een enkel woord sprake. Er wordt gevraagd: „Wie zal klimmen op den berg des Heeren?" er wordt gezongen van het geslacht dergenen, die „gerechtigheid van den God huns heils" zullen ontvangen; en nu, in die geheel geestelijke beschouwing verzonken, vraagt de dichter: „Wie is die Koning der eere? en hij antwoordt: „De Heere, geweldig in den strijd," en herhaalt straks zijn antwoord, om :
:
nog is
voller
die
en heerlijker
zijn ziel
uit te storten,
„Wie Koning
als hij jubelt:
Koning der eere? de Heere der Heirscharen,
die is de
der eere, Selah." Neen, met het woord „Heirscharen" in dien naam is niet het leger van Israëls strijdbare helden bedoeld, en evenmin het heir der starren, dat ons des nachts Gods wonderen vertelt, maar uitsluitend het „heir der hemelsche geesten," die de Heere zich tot zijne trawanten ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's