De leer der Verbonden - pagina 136
126
om
de deur dicht te doen, de vier hoogleeraren, die tengevolge van cordaatheid der Dordsche Synode, vlak daarop de Leidsche facul\v. Walaeus, t. Polyander, Thysius en Rivet, zich teit bezet hebben, in hun Synopsis puriorus theologiae niet minder beslist uitlaten, als de
zeggen (zie p. 152 ed. 2a): „In Adam zijn alle menschen gerekend naar den aard van het verdrag dat God met hem gesloten had." ze
En
hier laten
Wien
we
het
bij.
meer en nader hiervan
te onderzoeken, die raadplege de breede uiteenzettingen van Brahé, a Marck, Vriemoet, J. van den Honert en Vitringa. Immers de beschuldiging van den „anoniemen maar beroemden godgeleerde" is niet nieuw. Keeds in de vorige eeuw hebben Yenema en zijn volgelingen aan de verdedigers van het Werkverbond even driest voor de voeten geworpen, dat ze met spiksplinternieuwe vondsten de gemeenten verontrustten. Maar ook destijds is dit hun kwalijk bekomen, want waarlijk het kostte weinig moeite, dit onvoorzichtig beweren door de stukken zelven van ongelijk te overtuigen, en wie, al ware het slechts het Examen van Tolerantie op dit punt doorleest, om met ons Comries fijnen geest te bewonderen, zal niet wel kunnen ontkennen, dat er ook maar iets aan de volledigheid van het tegenbewijs heeft ontbroken. Droef doet het ons dan ook aan, telkens en telkens te moeten ervaren, wat volslagen onbekendheid er zelfs bij gevierde godgeleerden heerscht met opzicht tot den godgeleerden arbeid onzer oude gereformeerde kerk, en droever nog, het pijnlijke feit, dat men, in stede van zijn tekort aan wetenschap op dit punt eerlijk wq^ te erkennen, dan nog den euvelen moed heeft, om wie er voor opkomt, schuldig te stellen aan oprakeling van dorre, verouderde, tot niets dienende
het lust
bespiegelingen. Mannen broeders, is het dan niet waar, wat men zoo telkens uitspreekt, dat de diepe scheur tusschen ons en de verwerpers van het Heilgeheim eigenlijk ligt in de belijdenis of de ontkenning c^er ^owc^g ? En indien ge daar nog met ons aan vasthoudt, en er dus met ons op pleit, dat dit stuk van de belijdenis der zonde, niet als on-
volkomenheid, maar als doemwaardige onheiligheid voor God, met en tand zal worden verdedigd en gehandhaafd, gaat het dan aan met zwevende oppervlakkigheden over dit stuk der stukken heen te loopen? En indien ge zelven dan toch erkent en inziet, dat dit met een prijsgeven van geheel onze positie zou gelijk staan, eilieve, dient er dan niet weer werk van gemaakt, om de denkbeelden der gemeente omtrent Qxischuld, Qïismet en edzonde te verhelderen? Is het dan niet hoog tijd dat de toerek??ibaarheid van Adams zonde weer ga leven, en spreken voor ons bewustzijn? En indien ge daar niet even aan kunt raken, of ge komt aanstonds voor de quaestie te staan, of onze schuldgemeenschap met Adam eenvoudig een familie-erfzaak of
hand
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's