Het heil in ons - pagina 93
83
Dat wonder
niet onder woorden te brengen. Slechts door vergede Schrift het ons af, nu eens van een wijnstok sprekende, waarop we als ranken tieren; dan van ééne plant, wajirtoe we met Hem behooren; dan weer van één lichaam waarvan we als leden onder Hem, het Hoofd, staan; of ook als waren we een product van het eten van Hem die het brood des levens is en van het drinken lijking
van
is
beeldt
zijn bloed.
in wat vorm ook uitgedrukt, hierop komt ontwijfelbaar deze gemeenschap, deze unio mystica, deze sleutel aller kennisse neer, dat de wedergeborene, op zich zelf genomen, niets is noch heeft, maar al wat hij is en heeft, slechts wierd en is en zijn zal door en krachtens zijn saamverbonden zijn met den Zoon van God. Een zelfstandig, d. i. op zich zelf staand leven van Gods kinderen, is er niet en is ondenkbaar. Zoomin het schijnsel blijft als ge het licht u wegdenkt, zoomin blijft er in den geloovige geur of smaak van eeuwig leven, als ge hem losgemaakt denkt van zijn Heere. Hij werd niet uitverkoren dan in Christus, niet toegebracht dan door Hem, niet levend gemaakt dan in zijn kracht en zoo ook leeft geen oogenblik, is hij geen oogenblik ontzondigd noch geheiligd hij of bekwaamd tot iets dat niet verwerpelijk is dan doordien en voorzoover de levensgemeenschap tusschen Christus en zijn ziel aanwezig, werkend en vruchtdragend is. Christus is de atmospheer, het element waarin hij zich beweegt en ademt, en tegelijk de vervulling van het niets en het ledig van
Doch
zijn hart.
Dat hij leeft, wil juist zeggen dat niet meer hij leeft, maar dat Christus leeft in hem. Dit mag echter nimmer in den dweepzieken zin verstaan, alsof de Christus persoonlijk den hemel zou verlaten, om in te dalen in gemoed. Neen, zeer uitdrukkelijk leert de Schrift ons, dat Christus plaatselijk in den hemel blijft en met zijn verlosten slechts in verborgene geestelijke gemeenschap staat door den Heiligen Geest. Hij is weg, maar na zijn heengaan zond Hij ons een anderen Trooster, die bij ons blijft in der eeuwigheid. Die Heilige Geest is niet een kracht of uitstraling, maar God zelf, en gaat als God, d. i. met souvereine macht van oordeel en van liefde, in onzen inwendigen mensch in, om de bezieling onzer ziel en de Geest van onzen geest te zijn en in de verlosten Christi als zijn tempel te wonen. Uit dien Heiligen Geest komt ons nóch het leven nóch de rechtvaardiging nóch de heiligmaking toe, maar wel dit, dat al deze schatten, die in Christus voor ons aanwezig zijn, nu ook op ons worden toegepast. „Hij neemt het niet uit het zijne, maar uit den Zoon!" zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's