Practijk der godzaligheid - pagina 232
224
En zoo ja, welke plaats bekleedt het in de wereld van levensgedachten, die de Schrift ons van Godswege bracht? Komt het in die heilige gedachtenwereld voor als iets afkeuringswaards, als iets dat te mijden is, daar vloek van druipt en de ziele onder omkomt?
Of die,
wel, treedt het daarin voor
gedaan,
waar
niet
nut
en,
u
een practijk een handeling, gewoonte zonder beteekenis
als iets onverschilligs
nagelaten,
niet
;
schaadt;
geen zedelijke zijde aan is; een voor de eere Gods en het heil uwer ziel? Of eio delijk, wordt in dat Woord het vasten u voorgesteld als een daad die uitvloeisel van hooger leven is; geschikt tot prijslijk; de godzaligheid, en deswege, voor wie God zoekt, van waardij? Korter gezegd: Wordt in Gods Woord het vasten afgekeurd, niet gekeurd of goedgekeurd? Zoo het eerste, dan doolden onze vaderen, die het vasten aanprezen,
en waren ze in die aanprijzing niet te eeren, maar te laken. Zoo het tweede, dan raakt het de consciëntie niet, en is geen bespreking waard. Maar ook, indien het laatste, dan zagen onze vaderen juist; dan zijn wij op een dool weg; en is het de plicht van een iegelijk (leek of leeraar), die in Gods Woord gelooft, om de practijk des vastens, naar de wijze door God verordend, weer in eere te brengen.
Op den
voorgrond sta hierbij, dat we geen woordenspel bedoelen. Als we van vasten spreken, bedoelen we wezenlijk vasten. Gesteld dus al, dat iemand ons toegaf wat we uit Gods Woord zullen voortbrengen; maar om ons ten slotte toe te voegen: „Mits dit alles verstaan worde van doorgaande ingetogenheid en matige leefwijs!" dan zou blijken, dat we vlak tegenover elkander stonden. Er moet klaarheid en waarheid ook in onze Schriftuitlegging zijn. Men mag niet telkens het eene onder het andere schuiven en alle begrippen dooreenmengen. „Matigheid" en „Vasten" zijn twee uiteenloopende begrippen. „Matigheid" ziet op onze geheele manier van leven, niet nu of dan, maar aldoor. „Matig" moet een Christen altijd wezen. Hij zondigt zoo dikwijls hij het niet is. „Vasten" daarentegen geschiedt slechts enkele malen, niet al de dagen onzes levens, maar op zekere bepaalde dagen. Reeds de natuur verbiedt het aldoor vasten. Meestal niet te vasten is dus evenzeer plicht, als meestal niet matig te zijn zonde is. „Altijd matig" is van God geboden. „Altijd vasten" zou overtreding van het zesde gebod zijn. Twee dermate uiteenloopende begrippen te verwarren verraadt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's