Heils termen - pagina 245
335 werpen,
dat
merkbaar bestond echter
de
volgorde
uiteenloopt,
om
dat
der
in
verhalen
de
vier Evangeliën zeer
blijkbaar, althans niet bij
op volgorde van ten eenemale weg, zoo
tijd
men
allen,
de toeleg
Deze
bedenking valt op de gewichtige omstandigheden te
letten.
Evangelisten, die dit bericht in hun verhaal opnamen, geheel dezelfde woorden aan de verheerlijking voorafgaan en bij twee gelijke meêdeeling er op volgt. Men vergelijke slechts het let,
dat
bij
alle
.
negende hoofdstuk van Marcus zoowel als van Lucas, met wat we in het zeventiende hoofdstuk van Mattheüs opmerkten, en men ziet aanstonds, dat ook bij deze Evangelisten twee dingen voorafgaan: de eerste aankondiging van het 1 ij d e n en de voorzegging van h e e r 1 ij k22 en 26), terwijl ook bij 31 en 38, en Luc. 9 heid, (Mare. 8 Marcus onmiddellijk op de verheerlijking de verwijzing naar de opstanding; volsi-t. besloten met de schier eensluidende woorden: „gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat Hij veel lijden zal." Men zal dan toestemmen, dat bij dit verhaal althans over den richtigen samenhang geen zweem van twijfel bestaat. We weten met volkomen zekerheid, wat in den gedachtenloop der jongeren het naastbij liggend feit uit 's Heeren leven was, dat ter inleiding op den lichtglans van Thabot moest dienen. „Lijden" en „Heerlijkheid" de tegenstelling, waardoor naar het eigen woord der jongeren geis heel het grootsche schouwspel wordt beheerscht. Nog versterkt worden we in dit gevoelen, zoo we ten slotte nog een vluchtigen blik op Joannes' Evangelie en Petrus' tweeden brief werpen. Naar men weet, komt er in het vierde Evangelie geen omstandig bericht van 't gebeurde op Thabor voor, gelijk weerkeerig het verhaal van de verheerlijking in den tempel bij de drie andere Evangelisten ontbreekt. Toch wordt ook in hetgeen Joannes van de tweede verheerlijking (die in den tempel) meedeelt, het feit der eerste verheerlijking (die op Thabor) volkomen bevestigd. Aldus toch luidde, 28, de stem uit den hemel, naar de mededeeling in Joannes 12 die, in antwoord op de bede des Zoons, van den Yader uitging: „Ik heb fiem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken." Waarop anders dan op Thabor dat „Ik heb Hem verheerlijkt" terug zou slaan, valt moeilijk in te zien. En gaan we nu van deze veronderstelling uit, dan vinden we ook hier geen andere tegenstelling bij de Synoptici, want ook hier gaat onmiddellijk de profetie van het Slaat, men „stervend tarwegraan" en dus van het „lijden" vooraf. eindelijk den tweeden zendbrief van Petrus op, waar, gelijk bekend van hetzelfde feit uit Jezus' leven melding geschiedt, dan vindt is, men ook daar terug, wat bij de drie eerste Evangelisten in het oog sprong. Ook voor hem toch ligt de hoofdbeteekenis van het op Thabor geziene in „de eer en heerlijkheid, die Hij van den Vader ontvangen heeft, als zoodanige stem uit de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht is: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik :
:
:
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's