Het heil ons toekomende - pagina 145
135 de
boclemlooze
dat is
niets
hij
dan
zal
diepte
is,
ijdelheid,
het
der
afhankelijkheid
dat zijn gebed niets
en
is,
en daarom roept naar
zijn
komen en wiens mogendheid
er
wegzinken, al
dat
hij
weet
vermogen minder die het doen moet
zijn
God,
het alleen tot stand brengt.
God, dat hij Hem de eere geeft ook voor de die een zwakke neiging ten leven verrieden, en van Hem smeekt, om neiging, wil en kracht en werking ten goede. Ja, is het zulk een bidden, dat dit danken en smeeken niet bij wijze van eerbetoon, maar uit innerlijken nood naar de lippen dringt, en doortrild is van dien toon der zichzelf wegwerpende ootmoedigheid die bekent uit zichzelf vlak. het tegenovergestelde te zullen voortbrengen en midden in den dood te liggen, terwijl God dan zeg ik u, alleen het leven en het leven uit en door God is, dat zulk een ziel in de diepte der uitverkiezing wortelt, al ontbreekt de verlichting nog, die de dwaling der gedachten, vrucht van opvoeding en levensomgeving, moest uitzuiveren. Bij de wereld staan ze dus nog als pelagianen te boek, en gaat ge op den klank af, dan zijn ze het ook nog. Maar één ding zullen ze toch nooit. Al zijn ze uit de strikken van Baal met hun denken nog niet los, ze zullen de knie voor Baal niet buigen en zijn beeld niet kussen met hun mond. Er zal niet dat ijveren voor de leugen in hen zijn, dat den ketter kenmerkt. Ze zullen niet die innerlijke vijandschap openbaren, die bij den mensch, wiens hart den Pelagius nog niet in zich zelf ontdekte, terstond vuur vat, als ze met de Ze mogen nog met kracht der uitverkiezing in aanraking komt. pelagiaausche stellingen spreken, en in de taal der genade zich nog niet kunnen uitdrukken, maar toch hun Heere bewaart hen, dat ze in de pelagiaausche woorden niet meer den vurigen levcnsgloed leggen van het pelagiaausche hart. Dit geldt thans. Dit gold ook in de middeleeuwen. Ook toen had de Heere zijn zeven duizend die, zij het ook in de onbewuste levensdiepte van het hart, recht stonden voor de vrijmacht Gods naar zijn eeuwig voornemen in Christus. Dat dit innerlijke geloofsbestaan niet van lieverlee tot eene betere belijdenis kwam, was niet hun schuld. Ze waren met alle gedoopten opgevoed in de Roomsche kerkleer. Ze waren door de praktijk der Eoomsche kerk aan een vorm van eeredienst en versterving gewend, die aan de vormen van hun bewustzijn, aan hun algemeene denkbeelden en geloofsbegrippen, een tegenovergestelde uitdrukking leende. Bovendien, van een zelfstandig optreden der leeken, gelijk onze kerk dat kent, was in de Christelijke kerk destijds geen spoor. Toch zou de ervaring der ziel wel allengs tot zuiverder belijden genoopt hebben, zoo men niet stelselmatig elk opkomen van zulk een belijdenis onderdrukt had. Tegen den denker trok men aanstonds te Bidt
eerste
hij
zóó
kleine
tot
dien
roerselen,
;
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's