De leer der Verbonden - pagina 37
;
27 zijdig" unilateraal verbond, voor het besef der gemeente de wezenlijkheid van het verbond heeft vernietigd. Helder heeft de gemeente daarom in te zien, dat God de Heere, toen Hij in zijn raad den wil vastzette, om in een verbond met zijn schepsel te treden, in, met en door dienzelfden wil zich in goddelijke goedertierenheid nederboog, om naast zijn schepsel te gaan staan en met hem te handelen op voet van gelijkheid. er aan gewoon, om van Godes nederbuigende erbarming den zondaar te spreken, en ook wij stemmen natuurlijk van heeler harte toe, dat in het komen tot den zondaar een erbarmen spreekt, dat, eer de zonde uitbrak, zich niet kón openbaren. Evenmin als uw medelijden werken kan tenzij er eerst geleden worde door een ander, zoo ook kón het goddelijk ontfermen niet opkomen, ten ware er eerst een gevallen schepsel neerlag, waaraan ontferming kon worden betoond. Aan die waarheid doen we dus niets te kort, maar houden
Men
is
tegenover
ze veeleer staande in haar volle afmeting.
Maar wat het
o.
i.
te
veel door de
gemeente uit het oog wordt ver-
dat ook reeds in het paradijs; vóór den val in zonde; toen menschelijk schepsel nog recht liep; datzelfde nederhuigen wel
loren,
is,
niet van Gods erbarmen (dat openbaarde zich eerst bij de zonde), maar dan toch van Gods goedertierenheid te aanbidden viel. We willen er de aandacht op vestigen, dat men, ook in dien heiligen, teederen achtergrond, dien de „goedertierenheid" Gods voor zijn „ontfermen" aanbiedt, een oog behoort te hebben voor dat zich nederbuigen van den oneindigen Schepper tot het eindig menschenkind. Dit raakt den hoogen adel van het werkw QxhoMdi, waar we verderop aan toe komen, en dat wel moest miskend, weggecijferd en vergeten, zoolang men zich valschelijk inbeeldde, dat de nederbuigende liefde Gods eerst met het ^ewac?<^verbond gekomen was. Neen, integendeel, die nederbuigende liefde Gods spreekt in geheel zijn verhouding tot den mensch; zoowel vóór als na den val in zonde ja zelfs reeds in 's menschen schepping en het wezen dat God naar zijn heilige beschikking voor den mensch besteld had en den mensch
inschiep.
verbond tusschen God den Heere en zijn zijn, dan moest God met dien mensch en om dit te bewerken, moest als gelijke onderhandelen kunnen; ten eerste de mensch naar het beeld en de gelijkenisse Gods worden geschapen, en moest ten andere God de Heere zich van den troon zijner majesteit tot dien naar zijn gelijkenis geschapen mensch nederbuigen en als ware het naast hem gaan staan. Zoo ligt er dus in dat „Laat ons menschen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis", reeds op zichzelf een onuitsprekelijke diepte van goddelijke goedertierenheid. Onder de koningen op aarde wordt het reeds als een hooge betooning van gunst gerekend, indien de
Immers zou
zelfbewust
er ooit een
schepsel
mogelijk
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's