Honig uit den rotssteen - pagina 281
;
!
267 iets
we
van
anders
binnen.
Dan komen we opeens
familie, geestelijke familie zijn
tot het inzicht,
van die ellendelingen die we
dat
eerst
zoo verafschuwd hebben, en dat huti boosheid lang zoover niet van ons eigen hart ligt als we eerst wel dachten. Wel niet zoo uitgekomen meer naar binnen geslagen, maar daarom zit het er toch wel terdege in. Als dus de Heilige Schrift zegt: De dwaas zegt iii. zijn hart: „Daar is geen God!", dan belijdt Gods kind in stille zelfbeschaming, dat de Schrift daar van zijn eigen hart spreekt. Dat hij die dwaas is geweest. En, helaas, nog is. daar toch het kind van God eiken hoe dat kan ? Vraagt ge dag bidt en zijn lippen van de eere Gods overvloeien? Zie, daarop zou het antwoord kunnen gegeven worden: of ge dan vreemd zijt aan geloofsbestrijding, aan Satanische influisteringen, aan :
—
booze aan V echt iüg? Maar daar doel ik nu niet op. Dat is een enkel maal zoo. Bij hooge uitzondering. In oogenblikken van ontzettende zielsbeuauwing! Dan als de Heere schijnbaar het verst af, maar in de wezenlijkheid het dichtst nabij is. Neen, dat dwaze bedoelen van het zondig hart om zijn God af te breken, is meer in het gewone, in het dagelijks voof komende bedoeld. zou eigenlijk één enkele zonde wel bestaanbaar wezen, Of zeg mij als ge op datzelfde oogenblik waarlijk en werkelijk geloofdet, dat er een God is die leeft? Acht gij het voor mogelijk, dat iemand tegelijk deze twee in zijn hart zou hebben, om én te zeggen: „Er is een levende God die mij ziet en hoort," én te denken: „En desniettemin En indien niet, wat is elke zonde, zal ik nu toch maar zondigen groot of klein, dan welbezien anders, dan een zeggen van den dwaas in uw hart: „Er is eigenlijk geen God! en derhalve waarom zou ik :
!
dit of dat laten!"
Maar er is nog meer. Habakuk geeft ons een
allerheerlijkste godspraak vol troost, zondevan eens menschen betrouwen op den levenden God. Maar in die profetie die eindigt met dat zielbezielend woord: „Ook als de vijgeboom liegen zou en er geen rund meer op stal is, nochtans zal ik van vreugde opspringen in den God mijns heils!" staat óók van een mensch „die zijn geest verandert en zich schuldig maakt en die zijn kracht voor zijn God houdt!" En nu, op de ziel af u gevraagd, hebt ge geen kennis ook aan die zonde Ik zal ze u duidelijk, scherp teekenen, en onderzoek dan uzelven. Zie, daar is een mensch, die vele dingen deed en daarin groeit en er zijn han over voelt opzwellen van zelfbehagen. Nu spreekt die mensch daar gaarne over tot anderen. Maar nu te zeggen Dat alles deed ik, gaat niet. Dan kwam de hoogmoed uit, en een ieder zou
bestrafting en sterking
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's