Dat de genade particulier is - pagina 105
95 over bet algemeen of particulier karakter der genade worden opgemaakt, om de eenvoudige reden, dat er nog slechts twee menschen leefden.
zien we dat er genade bewezen wordt, doordien God zijnerzijds gevallen mensch aanspreekt, opzoekt en wakker schudt en voor het oordeel van zijn heilig recht plaatst. Wel blijkt reeds uit die bemoeiing, dat de genade reeds begonnen was te werken. En wel bespeuren we, dat er gunste en goedertierenheid naar Adam uitgaat in
Wel
den
bedekken van
schaamte en het geven van een anderen zoon nu bedoeld was voor al zijn nakomelingen of slechts voor een deel er van, blijkt hieruit natuurlijk niet. En al even weinig zekerheid ontvangen we, als we letten op de godspraak waarin het Paradijs Evangelie niet aan den mensch, maar, zóó dat de mensch het hooren kon, aan Satan geopenbaard is. Over de vraag of het „zaad der vrouw" hier, als enkelvoudig gebezigd, op den Messias slaat, dan wel het geslacht der menschenkinderen aanduidt, twisten we hier niet. Maar zelfs al neemt men aan, dat het zaad der vrouw op de menschheid in het generaal ziet, dan nog mag noch kan iemand beweren, dat dit al de menschen hoofd voor hoofd, zou aanduiden, daar toch reeds in Kaïn blijkt, dat volstrekt niet allen den Satan op den kop getrapt hebhen. Het Paradijs zelf brengt ons dus voor de quaestie van een algemeene of particuliere genade geen stap verder Er blijkt alleen uit, dat reeds terstond na den val de banier van het Genade verbond van verre den in zonde verellendigden mensch getoond is en dat feitelijk uit dat verbond zegeningen hem zijn toegedeeld. Mogen we ons daarentegen op het aanhangsel van het Paradijs, d. i. op Adams onmiddellijke nakomelingen beroepen, dan komen we plotseling voor het schriklijk feit te staan, dat Kaïn aan Abel broedermoord pleegt; tegen alle uitwendig vermaan zich verhardt; den vloek indrinkt, en een geslacht teelt, dat geheel hutten de hedeeling der genade raakt, of, wil men, naar Dr. Van Ronkels schoone opmerking, voortkwijnde in het werkverbond. Reeds Gods vermaan aan Kaïn toch is niet stellig een aanbieding van zaligmakende genade. De woorden „Is er niet indien gij weldoet verhooging!" hebben niets aan zich, waaruit besloten mag worden, dat ze met noodzakelijkheid op „zaligmakende genade" zien. Eer dragen ze den schijn van op werken te doelen, en in niets boven de voorhouding van het zedegebod uit te gaan. Maar ook al duidde men dit anders en al geeft men er de voorkeur aan, tusschen de regels, ook van een „aanbieding van den Christus aan Kaïn" te lezen; wat naar onze bescheiden meening nooit met zekerheid zal te bewijzen zijn; zoo stuit men, zij het Kaïn, dan toch onmiddellijk na hem op Kaïns nakomeal niet op lingen, die door Kaïns euveldaad buiten aanraking met de bedeeling het
voor
Abel.
Maar
zijn
of deze genade
:
'
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's