Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil in ons - pagina 168

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil in ons - pagina 168

3 minuten leestijd

158

den

onder

uw

van

slaap

geestelijk

dat ge het merkt, maar aldoor oorsprongen van uw leven.

blijft

bewustzijn door, en dus zonder opborrelen van uit de verborgen

De zonde afmeten naar uw

bewustzijn, naar wat gij er van weet merkt, zie, dat is juist de ondiepe en door en door onheilige opvatting van Pelagius, die ge bij alle kinderen zijns geestes, synergisten of geen synergisten, terugvindt. En juist omgekeerd te zeggen: Zonde is niet wat gij, maar wat God als zonde ziet en weet en kent en verfoeit met zijn goddelijke verfoeienis, dat is het wat de Schrift geopenbaard, geleerd en ingeprent heeft aan alle godzaligen des Ouden en des Nieuwen Verbonds, die wel zonder dat hooger licht nooit anders dan Pelagius zouden hebben geweten. Ook bij de zonde beslist niet uw bewustzijn, maar het bewustzijn

en

van

er

van uw God. „Indien ook

dan uw

uw

eigen

u

hart

niet

veroordeelt,

God

is

meerder

hart^ en Hij weet alle dingen T^

En op dien grond en uit dien hoofde bad de psalmist in den negentienden zang: „Wie zou de afdwaling verstaan, Heere, reinig mij van de verborgen afdwaling!" en klaagt hij in het honderddertigste lied: „Heere, als eens niet óns oog, maar het uwe, als Gij de ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan?" En van dat standpunt nu mogen noch kunnen we afgaan. God D.

blijve Av.

God! aan

z.

Hem

en aan

Hem

alleen verblijve de majesteit en

om

uit te maken, om te beslissen, wat tegen Hem ingaat en al dan niet zijn eeuwige liefde bedroeft. Wij kunnen dit niet beoordeelen. Dat komt ons niet toe. Daar zijn we de menschen niet naar. En of wij dus al, 't zij van elkander, 't zij van onszelven getuigen, wat zeer zeker soms getuigd worden kan: „Ik heb onberispelijk gewandeld en een onergerlijke consciëntie voor God en menschen bedit zegt voor ons al of waard en ben mij geens dings bewust!"

het

heilig

recht

om

te

keuren,

nog volstrekt niets. Ook zoo toch, kan er op den bodem van ons hart, kan er in het weefsel onzer overleggingen, kan er in het spinsel onzer woorden, kan

niet heilig zijn

in het netwerk onzer daden, ja, tot in onze gebeden, in onze vroomheid, in onze „heilige" en in onze beste daden, nog iets zoo verfoeilijks en zelfzuchtigs en hoovaardigs voor het oog van den Heilige op den troon daarboven schuilen, dat we voor God en zijn Christus en zijn heilige engelen eenvoudig een bittere belaching zouden worden, indien we ons gingen inbeelden nu iets hoogers gewonnen te hebben er

en

iets heiligers deelachtig te zijn.

God,

niet

uw

broeder; God, niet

uw

eigen inbeelding; God,

zelfs

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's

Het heil in ons - pagina 168

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's