Het heil in ons - pagina 188
178
den zondigen, mensch
even
gereedelijk
tot
afgoderij, tot spiritisme,
tot het vereeren eener laatste oorzaak, ja zelfs tot
genieaanbidding en menschenvergoding leiden kan. Slechts in den onzondigen mensch zou deze onweerstaanbare indruk van Gods hoogheid tot innerlijke openbaring van zijn wezen zijn voortgeschreden en, uitgezonderd het genadeleven, alle werking van mogendheden hebben ontvouwd. De mensch, gelijk hij uit 's Heeren Gods hand is voortgekomen, zou, ware hij niet in zonden gevallen, zonder bovennatuurlijke openbaring, den indruk van 's Heeren majesteit verstaan hebben, door dien indruk tot gemeenschap met God, en door die gemeenschap tot zijn waarachtige kennisse zijn doorgedrongen. Thans kan dit niet. Een storende invloed is tusschen beiden getreden. Evenals het kranke oog het licht nog wel ervaart, maar schuwt, trekt ook 's menschen ziel zich pijnlijk in zichzelve terug, zoolang ze in haar niet- verlosten toestand door de uitstraling van Gods majesteit wordt aangedaan. Tot op zekere hoogte is God te ontvlieden; tot op zekere hoogte is dit voor den zondaar zelfs noodzakelijk. „Ga van mij want ik ben een zondig mensch," is onmiddellijke uiting van uit, den doodsangst, waarmee het heilige den zondaar overstroomt. Wie God ziet, moet sterven, was Israëls diepste levensgedachte, en geheel de Schrift des Ouden Verbonds is ten bewijze, door wat siddering en ontzetting de Godsmannen en patriarchen en profeten bij het naderen van 's Heeren majesteit werden aangegrepen. Gevolg hiervan is, dat de zondaar op den duur niet buiten aanbidding leven, maar, ter ontkoming aan Gods hoogheid, zich het mindere en creatuurlijke tot voorwerp van aanbidding kiest. Zoo men wil, is het 's Heeren majesteit zelve, die den zondaar, tot straf voor afkeer, in de armen der afgoderij werpt. „Daarom heeft Hij ze overgegeven in een verkeerden zin." De afgoderij is dus niet, gelijk onze hedendaagsche wijsgeeren ons vertellen, een lagere ontwikkelingsvorm van het godsdienstig leven, maar een misvorming van de echte godsvrucht. De afgodendienaar klimt niet van lieverlee tot reiner kennis en voller gemeenschap op, maar beweegt zich op een weg, die, gelijk de historie bij alle volkeren toont, uitloopt in twijfelzucht en geestelijk onvermogen. Slechts dit ware schuilt in dit zonderling beweren, dat ook de afgoderij voortkomt uit de aangeboren Godskennis en zoomin in de menschen- als in de dierenwereld zou bestaan, indien de mensch van nature buiten alle aandoening van Gods majesteit en hoogheid stond. Nooit mag dus het pogen gewaagd, om door deze aangeboren Godskennis iets, hoe gering ook, af te dingen op de volstrekte noodzakelijkheid der wedergeboorte. Zelfs onder de gunstigste omstandigheden kan deze kiem der godsvrucht in den zondaar nooit of nimmer tot hooger leven gedijen. Tot redding van den zondaar is het genadeleven noodig en daarvan ligt in de aangeboren Godskennis niets.
zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's