Dat de genade particulier is - pagina 153
!
148 het geslacht zou redden, ontdoen van schuld en kronen niet koninklijke eere. En aan die aangrijpendste en ontzettendste aller vragen toegekomen, voegt en past het ons, kinderen des stofs die we zijn, wel in de hoogste en uiterste mate, om met stille teederheid van God geleerd te willen zijn en niet wijs te wezen in eigen oogen. Wat toch zou de mensch hier uit zijn eigen inzicht, oordeel of vermoeden voortbrengen, en wie zou zich vermeten, als Almachtige liefde de hand naar hem uitstrekt en hij zelf neerligt in zijn verdoemenis, aan die reddende goddelijke Ontferming de wijs te willen voorschrijven waarop ze te werk moest gaan? Hoe kortzichtig en dwaalziek blijkt ons hart niet telkens in de kleine nietige berekening van den gang der wereldsche dingen; hoe logenstraft daarin reeds telkens en telkens weer de uitkomst onze ingebeelde voorstellingen; en hoe is niet het lange leven één les, om onze voorbarigheid in te toomen en ons te overtuigen van de ontoereikendheid van onze eigen kennis! En waar het dan zoo reeds staat met de dingen die onder ons bereik vallen, die we overzien kunnen, en die het perk van het eindige niet overschrijden, wie zou dan waanwijs en vermetel genoeg zijn, om, starende in deze diepten, de goddelijke ondoorgrondelijkheden, met schoolsche geleerdheid of aanmatigende verzekerdheid te willen uitmaken, naar wat wet en op wat wijs de goddelijke barmhartigheid werkt? Waarop toch zoudt ge hier bij het vormen van uw oordeel afgaan ? Op uw redeneering? En die kwam zelfs in uw huislijk bedrijf zoo slechts
uit! Op uw ervaring, die van gisteren is en op de meetelt? Of op uw geweten dan, dat nu reeds heel anders reageert, dan het in u sprak voor twintig jaren? Of op uw denkbeelden althans, die ge u van den eisch der liefde en des meêdoogens en der volheerlijkste genade gevormd hadt? Alsof God de
telkens
faliekant
eeuwen nauw
Heere dan van u en mededoogen zij Niets voelige
gij
niet
van
Hem
hadt
te
leeren wat goddelijk
stuitenders en bijna hoonenders is er dan ook, dan ongemenschen soms op hoogen toon over deze diepten van Gods
gedachten zoo koel en beslist en ergerend te hooren spreken, dat het is, of ze twist hebben over de stukken van een kinderlegkaart die saam moeten gezocht, o. Dat sticht niet, maar vervreemdt van God. Dat bouwt niet op, maar breekt de godzaligheid in de ziel af. En wie met zoo ongewijden en onheiligen blik achter het voorhangsel wil gluren, dien laat God dat voorhangsel voor de oogen neervallen, dat hij niets, niets meer van de heerlijkheid, die op het verzoendeksel rust,
bespeurt.
men toch in ontzag voor den levenden God stond, ook als over zijn waarheden spreekt of schrijft. Of is het dan niet, naar
Dat
men
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's