Het heil ons toekomende - pagina 140
130 doorwandeld. Niet uit dorre begrippen saamgeregen, maar eigen zielservaring gegroeid, was de belijdenis die hij ter nederschreef. Hij gal" in zijn geschriften tegen Pelagius niet de vrucht van zijn denken, maar een stuk zijner ziel. Eeeds hieruit is het te begrijpen, dat de kerk nog niet rijp was, om met hem in die diepten der goddelijke mysteriën af te dalen. Men eerde zijn grootsche figuur, men sprak zijn orakelen een tijdlang na, maar Augustinus werd niet begrepen. De kracht ontbrak, om zoo ver en diep in de genade door te dringen, als deze koninklijke
zielsleven nit
worstelaar.
Men door
zocht een middelweg, poogde tusschen Augustinus en Pelagius en luisterde gretig naar Joannes Cassianus en zijn vol-
te zeilen
den zondaar niet als „dood in de zonde en misdaden" maar het boven allen twijfel verheven achtte, „dat nog zekere kiemen van deugd en gerechtigheid onder de zondige oppervlakte zijner ziel verborgen liggen, die slechts op den dauw der god-
gelingen,
die
beschouwde,
om tot wasdom te gedijen." Augustinus' be„dat de zaligheid niet aan allen ter erfenis beschikt was," achtte hij dientengevolge, en dit sprak hij onverholen uit, een „ingens sacrilegium" d. i. een „gevloekte godslastering." Het baatte niet of de Synoden te Oranje en te Valence in 529 dit semi-pelagiaansche stelsel al zochten te stuiten; de godgeleerdheid, destijds bijna uitsluitend in handen van kloosterlingen, moest zich steeds verder van een belijdenis vervreemd gevoelen, die, door opheffing van alle verdienstelijkheid der goede werken, ook van het kloosterleven den heiligen geur afnam. Niet dat men Augustinus verketterde of weersprak, maar men zweeg, men liet het groote vraagstuk van den oorsprong des nieuwen levens sluimeren en ging voort in de kerkelijke practijk een richting te bevorderen, die elke diepere
delijke
genade wachten,
lijdenis,
opvatting van het genadeleven afsneed. In Gottschalks martelaarschap werd men zich van dezen ommekeer in de kerkelijke belijdenis eerst bewust. Gottschalk, Sakser van geboorte, stamde uit het grafelijk huis van Benno, en was door zijn ouders reeds als kind in het destijds be-
van Fulda geplaatst. Eabanus Maurus, wiens naam vermaardheid bekwam, was sinds 822 als abt in deze geestelijke stichting opgetreden. Onder hem studeerde ook Gottschalk, maar om zich ondanks diens meerderheid te ontwikkelen in een hem vijandigen geest. Het kloosterleven zelf, waarin Kabanus het ideaal zijns levens vond, wekte almeer Gottschalks weerzin, en toen hij, door lezing van Augustinus, allengs de eerste kiemen van afkeer tegen Eabanus' half-pelagiaansch stelsel voelde opkomen, werd het verblijf te Fulda hem een levenspijniging. Aan het verbreken der kloostergelofte viel intusschen niet te denken. Wel bestond op de Synode te Mainz, in 829 gehouden, bij
roemde
klooster
Europeesche
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's