Dat de genade particulier is - pagina 219
209
maar voor ons allen. Is er dan nog Of moet dan, -wat er zoo duidelijk staat, ook hier van enghartige vooroordeelen omgewrongen in zijn
niet voor de uitverkorenen alleen,
mogelijk?
twijfel
weer
wille
ter
tegendeel? Waar „voor ons allen" door den apostel van Jezus geschreven werd, zult gij daar den droeven moed hebben, om uw „niet voor ons allen" vol te houden?"
Met uw welnemen! Dien droeven moed hadden we nimmer en bidden we van God, dat nooit in ons moge varen. Maar laat ons u zeggen mogen, dat dit onzerzijds dan ook nooit is beweerd. „Voor ons allen", zegt de apostel, en zie, dat is immers precies hetzelfde wat juist door ons tegen u is volgehouden. Wij zeiden steeds: „De vrucht van Jezus' dood is voor ons allen!" En door u, niet door ons, werd dit halsstarrig ontkend. Want gij juist Meldt vol, dat het was: voor ons allen", maar voor „alle menschen zonder onder„niet scheid!"
Zoo
Er
is
ziet
men dus wat
hier een brief.
een gemeente, die
hij
van dat aanhalen op den klank af komt. brief door een uitverkorene geschreven aan
er
Een
echt apostolisch in haar ideaal karakter als een
gemeente van uitverkorenen toespreekt. En terwijl nu deze uitverkorene onder de apostelen tot deze uitverkorene gemeente zegt: „Yoor ons allen stierf Jezus", ziet de Universalist én dat woordeke „ons", én het karakter van den schrijver, én de ideëele opvatting van de gemeente over het hoofd, en durft nu aankomen met het volstrekt onhoudbaar beweren, dat hier sprake zou zijn van „alle" menschen. Welaan, gij, die dit ook maar één enkel oogenblik durft volhouden, wees dan zoo vriendelijk, en lees eens even verder, wat er in het 33e en 34e vers terstond op volgt. „Die hem voor ons allen heeft overgegeven" heette het in
En nu
gaat het onmiddellijk daarop in vers 33 aldus voort: beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit; die ook voor ons bidt!" Wat ziet men daar nu uit? vers 32.
„Wie
zal
Immers
tweeërlei.
dat Paulus van diezelfde personen van wie hij in vers 32 schreef: „die hem voor ons allen overgegeven heeft", vlak daarop in vers 34 roemt: „die ook voor ons bidt." En nu weet ieder van Jezus' eigen lippen toch, dat Jezus „niet bidt voor de wereld, maar alleen voor degenen, die de Vader hem uit de wereld gegeven heeft." Waaruit dus volgt, dat ook in vers 32 alleen van de verlosten sprake
Vooreerst,
kan
zijn.
En
ten tweede, dat Paulus zelf met evenzoo vele woorden, die personen, die zeggen kunnen: „hij is voor ons allen overgegeven!"" in vers 33 als uitverkorenen bestempelt.
IV
U
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's