Dat de genade particulier is - pagina 248
:
338
VI.
ONWEDERSTANDELIJK Zoo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor uit de prediking van het Woord Gods. Rom. 10 17. :
We zijn aan ons laatste bezwaar, aan onze laatste bedenking toe, dus ongeveer luidend: „Indien dan nu werkelijk de genade particulier en het heilig werk des Heeren on wederstandelij k is, en dus de gevallen mensch, de zondaar, er toch niets aan doen kan, wat komt de Heilige Schrift dien met machteloosheid geslagenen mensch dan nog telkens roepen, opwekken, vermanen, dreigen en kastijden? En overmits het nu vast staat, dat de Schrift, in Oud en Nieuw Verbond van zulk een woord der vermaning en bestraffing overvloeiende bei, is, blijkt dan ten minste uit dit gansche stel van paraenetische Schriftplaatsen niet ten duidelijkste, dat de Schrift wel beschouwd toch iets anders dan een particuliere en on wederstandelij ke genade bedoelt?" Op deze bedenking nu antwoorden we in dezer voege Het maakt op ons al den indruk, dat zij die zoo spreken, ganschehet oog verliezen, dat God de Heere in het werk der zaliglijk uit heid niet met geluid gevende poppen of automaten, maar met menschen Een mensch, dat weet ieder toch, is nog iets anders te doen heeft. dan een werktuig dat men opwindt en af laat loopen. Heb ik met een „werktuig'\ met een „machine'''' te doen, dan ja, hoef ik geen woord te spreken, maar maak ik zwijgend de schroefjes en moertjes los, neem de raderen van hun spil, wind de cilinders af, vermaak er van binnen aan wat ik wil, en zet straks heel het werktuig weer op dezelfde wijs in elkaar. En evenzoo kan ik ook zwijgend omgaan met een plant, een struik, een boom; want zonder een woord te spreken, kan ik die loswoelen uit zijn bodem, een deel wortelen afsnijden, tak en stengel besnoeien en het geheel overzetten in andere aarde. Maar anders wordt dit reeds, als ik met een dier te doen heb; vooral wanneer ik aan de edeler dieren toekom. Een koebeest behandelt men meestal nog zwijgend, maar een paard spreekt men aan, en met een hond redeneert men. Ja, dit gaat zóó ver dat in Italië en Zuidelijker streken de bij uitstek vaardige koetsiers en ruiters hun fijnere paarden bijna uitsluitend met den mond besturen en regeeren. Is het dan zoo vreemd, is het dan zoo wonder, zoo veroorloven we ons te vragen, dat bij den mensch het spreken minstens evenveel tepas komt ? Of hebt ge dan nooit opgemerkt, dat ook onder menschen het spreken al minder wordt naarmate ge lager afdaalt, en toeneemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's