Practijk der godzaligheid - pagina 56
48 hieruit blijkt drieërlei: 1". dat er naast en tegenover de van Christus een onechte leer pleegt op te komen; 2. dat het opkomen van deze onechte leer altijd twist en tweedracht in de kerken veroorzaakt; 3. dat men zich tegen die onechte nieuw opkomende leer alleen waarborgen kan, door terug te gaan tot wat men van een vroeger geslacht gehoord heeft en 4''. dat men af moet wijken van hen die zulk een onechte leer drijven. Stond nu deze verklaring van den heiligen apostel Paulus nog alleen op zich zelf, licht ware te denken aan een bijzonder voorval in Kome. Maar omgekeerd, wordt dan ook deze apostolische vermaning tot een algemeene onderwijzing verheven, indien we er op letten, hoe in de apostolische brieven aldoor die scherpe tegenstelling tusschen de ware en de valsche leer uitkomt. Het meest gewone is daarbij, dat de ware leer als de gezonde gesteld worde tegenover de kranke dwaalleeraars; een echt geestelijke onderscheiding. Zoo in Tit. 1:9: Een ouderling moet zulk een zijn, die „vasthoudt aan het getrouwe woord, dat miar de leer is, opdat machtig zij, beide te vermanen door de gezonde leer en om de hij tegensprekers te wederleggen." In Tit. 2:1: „Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt." In 2 Tim. 4:3: „Er zal een tijd dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar ketelachtig zijn, zijnde van gehoor, zullen zij zich zelven leeraars opgaderen naar
Immers
leer
;
hun eigene begeerlijkheden." Ed elders. Ook wel wordt die gezonde leer genaamd „de goede
Zoo in
leer.""
4:6:
Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar zijn van Jezus Christus, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer.'* Dan weder „deze leer," met terugslag op der apostelen eigen getuigenis: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en zegt tot 1 0). Of ook „de leer naar de godhem niet wees gegroet" (2 Joh. 9); de zaligheid'' (1 Tim. 3:6); de „leer van Christus" (2 Joh. 1
Tim.
:
:
:
„leer
van God"
(Tit.
2
:
10).
de verspreiders van de daar tegenoverstaande leer gebrand1), zaaiers van worden als „valsche leeraars" (2 Petr. 2 14), „wolven in schaapsklee„wind van leeringen" (Ef. 4 allerlei deren" „valsche profeten" „valsche Christussen," de „antichrist " enz. Het is dus onwaar, wat men vooral in onze dagen aan de kerken Gods vertelt en zoekt diets te maken, alsof dat „staan op de leer," dat „ijveren voor de leer," dat „bestrijden van dwaalleeraars" een uitvinding van „scholastieke spitsvondigheid" zou zijn; om dan voorts, na aldus aan den band en den teugel der gezonde leer ontkomen te Terwijl
merkt
:
:
eigen phantasieën en philosophische ideeën voor de leer die naar de waarheid is, in plaats te schuiven; onder dien dekmantel voorgevende dal het minder op die leer aankomt, maar meer op deugdbetoon en eerlijken wandel. zijn,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's