Het heil in ons - pagina 118
108 een
die verrast, met een volledigheid die bewondering een duidelijkheid, die eiken twijfel bij den wortel afsnijdt, klaar als de dag, doet zien, dat deze uitnemende apostel van Jezus, zelfs in het meergevorderde tijdperk van zijn geestelijk leven, nog altijd ter prooi was en bleef aan die wreede inwendige worsteling, die door het binnendringen van den Geest in zijn menschelijke persoonlijkheid (die uit zich zelf voor niets dan vleesch gold) was
wekt,
uitvoerigheid
en
met
ontstaan.
Geen wonder dan ook, dat de Perfectisten van alle eeuwen het onmogelijke mogelijk poogden te maken, om dit zielsgetuigenis door Paulus in Romeinen zeven neergelegd, weg te cijferen of te ontwapenen. Ze begrepen uitnemend wel, dat met dit korte hoofdstuk hun zaak stond of viel, en hebben met een ijver, een betere zaak w^aardig, dan ook alle vondsten der redeneerkunst uitgeput, om te doen gelooven, dat Paulus in dit hoofdstuk niet van zich zelf maar van een ander, en van dien ander niet als van een wedergeborene maar nog onbegenadigde sprak of ook dit kapitale stuk der geestelijke bevinding toegepast op een derde geslacht van hybridische geesten, die noch dood noch levend, zoo min bekeerd als onbekeerd, een soort ondenkbare tusschenwezens zouden vormen, die voor den hemel te slecht en voor de hel te kostelijk, zweven zouden tusschen glorie en verderfenis in.
Het mag daarom van het hoogste belang waaraan
geacht, dat deze verwrin-
van Paulus' zielshistorie bloot stond en nog alom bloot staat, met ernst worde te keer gegaan, en men de gemeente er weer in doe lezen, wat de Heilige Geest er óns tot vertroosting en Paulus tot beschaming, dezen grooten apostel in deed neerschrijven. Daarbij zij herinnerd, dat de Gereformeerde belijdenissen en de Gereformeerde godgeleerden, met zeldzame eenparigheid de juiste uitlegging ten deze gehouden en steeds beweerd hebben, dat Paulus in het tweede gedeelte van Komeinen zeven niet van een ander maar van zich zelf, en van zich zelf niet uit zijn vroegeren onbegenadigden, maar wel terdege uit zijn wedergeboren toestand spreekt. Het staat, om het in deze gewichtige zaak iets hooger op te halen, met deze uitlegging zóó, dat reeds in Augustinus' dagen, vooral door de nawerking van Origen's afdoling, de averechtsche verklaring veld had gewonnen en oorspronkelijk zelfs door Augustinus gedeeld was. Maar gelijk bij dezen massieven kerkleeraar het inzicht in Gods genadewerk allengs een nieuw licht over geheel de theologie deed opgaan, zoo kwam hij ook ten opzichte van Eomeinen zeven tot besliste, openlijke, cordate bekentenis van zijn dwaling en heeft hij, na het optreden van Pelagius, met Hiëronymus' hulpe, weer die oude, zuivere verklaring van dit hoofdstuk in eere gebracht, die sinds door bijna alle kerkvaders bevestigd, en zoo door Luther als Calvijn in de kerken der Hervorming overgedragen, eerst weer bestreden is, toen ging,
de
tekst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's