Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 220

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 220

3 minuten leestijd

206 godsvrucht en nauwlevende godzaligheid. De man, dien God naderen deed en in zijn tente laat wonen, is rijker dan een koning op aard. Maar de zonde is óók in de godsvrucht een zoo ongelooflijke verderfster. Dermate ongelooflijk, dat er nooit, nooit op aarde, de Christus alleen uitgenomen, vroomheid zonder zonde onder menschen geweest is. Niet slechts in dien algemeen erkenden zin, dat er nog altijd zonde in den vrome, naast en bij zijn vroomheid, overbleef; neen, neen, maar in dien veel banger, dat de zonde in zijn vroomheid zelve stak, dat zijn vroomheid zelve telkens weer zondig bleek, en dat de vroomheid, waarop hij zich beroemde, maar al te vaak een bevlekte en onreine zielsuiting bleek, waarvoor hij vergeving had te zoeken in het bloed van het Godslam. Dit gaat diep. Zijn wij wel zondaars, maar is onze vroomheid, dan toch onbevlekt, dan geldt die vroomheid in onze schatting natuurlijk als een zeker goed iets, waarmee wij, als met een orterande tot God gaan, om Hein daarmede te verheugen. Maar is daarentegen, geheel omgekeerd, onze vroomheid altijd bevlekt en zondig in zich zelve, dan valt al die eigen roem weg, en wordt de godsvrucht, zooals ze zich dan nog in ons vertoonen mag, niets dan een genade van God aan ons, om onze arme zielen te verblijden en ons troost te doen vinden in Hem. Hoor maar, hoe God Israël insnijdt in de inbeelding, waarmee het over zijn eigen vroomheid rondliep. Israël had trouwlooslijk met zijn God gehandeld. Toen had God En nu onder die kastijding had Israël Israël in Babel gestraft. gedacht: „Laat mij nu vroom zijn en mij diep verootmoedigen, anders kom ik er niet uit!" Daarom had het gevast. Met hier een .Jood en ginds een .lood; neen maar heel het volk. Al die jaren lang. Op vaste verbodsdagen. En nu, door Gods vrije gunst in zijn land teruggebracht, beeldde Israël zich in, dat het in Babel al heel vroom was geweest, en wel bezien, zijn terugkeer uit de ballingschap eigenlijk door zijn eigen vroomheid, vooral door zijn vasten, had bewerkt. En wat zegt God de Heere hier nu van? o,

Hij

snijdt

het

schijnheilige

Israël

schriklijk

in

het

vleesch

zijner ziel.

„Wat uw vroomheid! Zou uw godsvrucht u

heil hebben beschikt! beroemen op uw vasten, alsof dat godzalig u aanstellen u eindelijk uit de benauwdheid had geholpen! Eer was die vroomheid zelve zonde op zonde stapelen, zegt de Heere, want ge hebt gevast, ja, maar hoc? Het heette dat het al voor Mij, uw God, was. En nu, Israël, laat uw eigen consciëntie j^ettiigen, hebt ge Mij, Mij ook maar eenif/szins gevast?" En pas dat nu toe, breng dat nu over op u zelven, en zeg mij, of het u dan niet bang te moede wordt.

Durft

ge

u

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 220

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's