Het heil in ons - pagina 77
67 te bidden. En erger dan blind is een opwellingen van zijn hart niet als zonden oordeelt" (Art. 3 § 11), waarbij ten slotte nog naar de Formula Concordiae zij verwezen, waarin het nadrukkelijk heet: „Yanw^ege de verdorvenheid van ons vleesch blijft de heiligheid in dit leven steeds onvolmaakt en gebrekkic/" (Art. 3, pag. 686). Tegenover „deze wolke van getuigen" nu, tegenover dit eenstemmig getuigenis van de groote Kerken der Hervorming, tegenover deze eenparige stem der Evangelische Christenheid uit alle landen, staat anderzijds de breede phalanx van afgedoolden en bestrijders der waarheid, die, met Pelagius aan het hoofd, gesteund door Rome, bijgestaan vooral door de Jezuïeten en geestdrijvers, steeds de Volmaakbaarheid, reeds in dit leven, ten opzichte van de heiligen Gods hebben ge-
geving
iegelijk,
van
die
zonden hebben de
zondige
leerd.
Blijkens de brokstukken door Augustinus in zijn boek „Over het der natuur en het rijk der genade" hiervan bewaard, leerde
rijk
Pelagius in zijn geschrift „Over de natuur" dat het „volbrengen van al Gods geboden den mensch niet slechts alleszins mogelijk w^as, maar dat met name Abel, Henoch, Melchizedek, Debora, Judith, Anna, enz. metterdaad en in der waarheid tot volkomen heiligheid in dit leven waren opgeklommen." Naar luid der Acten van het Concilie van Trente leert op gelijke manier de Boonische Kerk: „Dat vervloekt is wie zegt, dat een in Christus gerechtvaardigde Gods geboden in dit leven niet volkomen zou kunnen volbrengen; dat wie kinderen Gods zijn Christus liefhebben, en wie Christus liefheeft zijn geboden bewaart, hetwelk zij met de hulpe van Gods genade dan ook kunnen. En dat, zij het ook dat de gerecht vaardigden nog vaak op vergeeflijke wijze in kleine
zwakheden struikelen, dit hun heiligheid niet opheft" (Sess. 6. c. 11). Dienovereenkomstig leerde de Eoomsche pleitbezorger Bellar minus, „dat volgens de Eoomsch-Katholieken iemand die gerechtvaardigd is, wel terdege in volstrekten zin Gods geboden houden kan" (De Justificatione impii L. IV. e. 10). En evenzoo Becanus „dat zelfs het gebod Gij zult niet begeeren, niet boven de zedelijke macht van een kind Gods gaat, en dat derhalve licht te bewijzen valt dat alle geboden Gods door zulk een kunnen gehouden worden" (Handboek der Leer:
verschillen. L. 1. c. 17. 9. 1. § 2. n. 9.3. §1). Voorts behoeft slechts herinnerd te worden aan het oordeel der Roomsche Kerk over Maria en de dusgenaamde heiligen; alsook aan de leer van de overtollige goede' werken, om eiken twijfel weg te nemen, of de drijvers der Volmaakbaarheidsleer al dan niet met den Roomschen zuurdeesem behebt zijn. Bijna in gelijken trant leerden de Socinianen, „dat de oude Catharen wel deugdelijk op het rechte pad waren, toen ze reeds in dit leven een volkomen gehoorzaamheid als bereikbaar stelden, en dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's