Heils termen - pagina 163
153 afwassching en besprenging, die niet het heilsfeit zelf, maar werd van Godswege den mensch was, heilsteeken een ook maar iets of het minste aan hierdoor zelf bevolen, zonder dat werd. Juist het teeken ontnomen genade de volstrektheid van. Gods niet onzer is. der heiliging daad der heiliging toont, d^t de zalving, slechts
XY.
DE HEILIGING IN CHRISTUS. Dewijl wij dan deze beloften hebben laat ons ons zelven reinigen van alle besmetting des vleesclies en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. 2 Cor. 7
„heiligen"
:
1.
eerstbedoelden zin, als daad der afzondering de heilige erve overbrengt, en bij ervaring uit de apostolische belijdenis spreekt: „Wij weten, dat wij uit den dood oveigegaan zijn in het leven," is elk verschil over de oorzaak dezer werking dus volstrekt ondenkbaar. De genade kan in al haar gangen, die aan de bewuste bekeering voorafgaan, in geen enkel opzicht op den te bckeeren zondaar steunen, tenzij ze zelve ophoude „genade" te zijn en den mensch wel met den naam van zondaar betiteld worde, maar zonder in den peilloos diepen zin van dit woord werkelijk zondaar te zijn. Op elk ander standpunt kan de bewegende kracht ter redding, ter afzondering, en dus ter heiliging, alleenlijk en uitsluitend uitgaan van God. Geheel anders daarentegen wordt de vraag, zoo men niet met den nog te bekeeren zondaar, maar met den bekeerden Christen rekent, en dus „heiligen" bedoelt in den tweeden zin, als voortgezette daad, waardoor het zondige van den Christen wordt afgescheiden. Niet hij van de wereld, maar de wereld van hem. Wordt hij door de „heiliging" in eerstvermelde beteekenis van de wereld en overgebracht op het terrein van Gods Koninkrijk, toch is hiermee de zonde hem nog niet uitgeschud, de besmetting des vleesches en des geestes nog niet van hem genomen, en moet derhalve op deze eerste daad Gods een tweede „heiligen" volgen, dat rusteloos al zijn levensdagen voortgaat, om eerst in den dood voleind te worden, en niet zijn afscheiding van de zonde, maar de afscheiding der zonde van zijn persoonlijkheid bedoelt. In dien geest zegt de Apostel „Laat ons de heiligmaking in de vreeze Gods voleinden, door ons zelven van alle besmettino- des vleesches en des o-eestes te reinio-en." Bij
die
den
zondaar
in
op
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's