Heils termen - pagina 252
242 onderscheiden kan, komen ze slechts zelden. de bekommernissen in is meest te machtig, levens Het gedriiisch des die ons naar beneden banden de stempel, lagen te het hart zijn van om veelvuldige aangebonden, zelve ons door angstvallig trekken te zielsverhetiïng in ons uiterste der wat het van gunnen o-cnietino- te
toebedeeld.
Yoor
wie
eischt,
meest zelfs, is de behoefte onzer ziel een geheel andere; ook na onze toebrenging een gestadige worsteling met onzen zondigen aard en de onreine wereld om ons; dies een dieper inzien in de diepte onzer eigen ellende, en als noodzakelijk gevolg daarvan, een telkens opnieuw geprikkelde dorst naar bedekking van wat ons zelf ten hinder wierd, of ook aan ons het schoon verlossingslied van Micha kon vervuld worden: „Hij zal zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen, ja Gij zult al hunne zonden in de diepten der zee werpen." Zao- nu onze Gereformeerde kerk met haar practischen blik volkomen juist, dat, over bekeerden zoowel als onbekeerden, de gemeenschap des geloofs telkens met versche verzoening en een overgoten worden met versche olie beginnen moet, ze wist dan ook met heiligen geloofstact den goeden greep in het geheim der verlossing te doen, toen ze niet Christus' verhooging, maar juist zijn vernederiny op den voorgrond plaatste. Yeelal,
den lichtkrans zijner goddelijke glorie, zelfs zijn geheel eenige grootheid als mensch, van niet in het en vernietigd als „een wortel uit een ontledigd Gods Zone maar de den afgehouwen tronk," zonder geuit „rijsken een dorre aarde," worm en geen man" tot in het stof der „een heerlijkheid, daante of schijnbaar terugstootenden en toch den Ziedaar neergebogen! aarde Woord, dat zij den van het inhoud vertroostenden machtig zoo
De
Christus,
niet
in
afschijnsel
volkeren bracht. Niet eerst het oog omhoog, waar de aanblik van 's Heilands goddevolheerlijke glorie de ziel, door wier geledingen de ernst lijke en van schuld en zonde trilt, slechts zou ontmoedigen en terugstooten, maar eerst de blik naar de diepte, naar een diepte, waarbij de verbrijzeling van het eigen hart weer geringer schijnt, om daar, lager nog dan waar gij ligt, Hem u te zien naderen, die inging in al het schreiende der ellende, die reeds over u kwam en u nog dreigt, en dan uit die diepten dien „Held" te zien opklimmen, en met zijn heiligen arm, die u ondersteunt, uzelven te voelen mee optrekken dat, zoo meenden de naar het hooge, reine, heerlijke leven! was een prediking die zelfs den diepst geloofshelden, en martelaren o-ezonkene nog hope liet, troost voor elke verootmoedigde ziel bood, en het meest de onnaspeurbare diepten van Gods vrij machtige genade
—
—
verheerlijkte.
Maar
die
vernedering
des
Heeren moet dan ook, onverzwakt en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's