De leer der Verbonden - pagina 166
156
Zoon
den
van God!" dus luidt het ontdekkend woord,
dat ons dit
mysterie ontsluiten kan. Christus en al zijn uitverkorenen vormen samen één geheel, één organisme, één lichaam, dat ge geen oogenblik als uiteengespat denken moogt, of het Genadeverbond bestaat niet meer. En nu zou natuurlijk dat leven van den Christus die uitverkorenen nog volstrekt niet zaligen kunnen, indien de Christus dat leven persoonlijk in onvolkomenheid en als een verliesbaar goed bezat.
Niemand kan aan anderen geven wat hij zelf niet heeft. Was dus de aard van het leven van Christus niet volmaakt, niet voltooid, niet duurzaam, niet goddelijk, dan zou hij ook niet anders dan een onvoltooid, onvolmaakt en verliesbaar leven aan zijn uitverkorenen schenken kunnen; ja zelfs dat zou nog te veel zijn; want het is de aard van een onvolmaakt en menschelijk-verworven leven om beperkt te zijn, en zich dus niet eens geheel, laat staan aan duizenden en tienmaal duizenden te kunnen mededeelen. En zoo komen we er vanzelf toe om te belijden, dat de Christus dat volmaakte onverliesbare leven alleen daarom zelf bezat en alleen daardoor aan alle uitverkorenen volkomenlijk kan mededeelen, omdat in zijn eigen persoon de fontein des eigen goddelijken levens ontsloten was.
Dies aanbidden we Hem! Niet omdat er leven voor ons in Hem is en uit Hem door het geloof ons toekomt. Neen, maar omdat wij, goddeloozen die we zijn, het zalig en volheerlijk bezit van dit volkomen, onuitdelgbaar en niet één oogenblik in den geloove onverliesbaar goddelijk leven, ervaren kunnen, of we voelen terstond dat we in den Christus met God zelf te doen hebben. Het „Mijn Heere!" is niet uit te spreken, of er volgt vanzelf op:
„Mijn Godr Stond het nu
zoo, dat de goddelooze naar die fontein des heils in Christus uit eigen beweging toeging; door dat gaan naar den Christus met Hem in aanraking kwam; en eerst daarna in zijn gemeenschap natuurlijk dan zou de uitverkiezing buiten den werd opgenomen,
—
Christus
staan,
en de Christus
eerst
van achteren in het Genadever-
bond inkomen. Maar nu dit
niet zoo is; nu een goddelooze volstrekt de macht naar de fontein des heils toe te begeven, en, als de kreupele bij Bethesda's badwater, wel het water ziet, maar er niet heen kan, en er heen moet gedragen worden; nu de zondaar niet kan gelooven, of er moet hem reeds genade geschied zijn; en hij dus van achteren bespeurt, dat de Christus hem reeds lang had, eer
mist,
hij
met zijn
om
zich
van den Christus begon te merken; nu ontstaat die band Heiland niet eerst na, maar ligt hij reeds eeuwig achter bekeering, en belijdt derhalve Gods kind, reeds bij de verkie-
iets
den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's