Honig uit den rotssteen - pagina 67
!
53 toen het nu op beslissen aankwam, zich verhief om hoven gaan, en ten slotte, wat de Heere beval, tegenhield en, wat uw onheilig wezen wilde, hielp doorzetten. Zoo is „gebodsovertreding" altijd een uitgaan van het booze hart boven den hoogen God. Bij den goddelooze evengoed als bij den wedergeborene. Alleen met dit verschil, dat de goddelooze het doet zonder het te merken, en dat de wedergeborene er strijd over heeft. Een kind van God kan daar niet bij inslapen; heeft daar geen vrede meê; kan noch wil daarin rusten. Niet, omdat hij zelf in zichzelf iets beter is dan de goddelooze. Och, buiten Christus, in zichzelf genomen, ligt hij midden in den dood. Maar in zijn wedergeboren hart werkt de Heilige Geest en staat de nieuwe mensch op, en die nieuwe mensch „heeft een hartelijke vreugd in God door Christus en lust en liefde om naar al Gods geboden te leven." En zoo komt het, dat hij wel een zuiging en trekking naar de zonde voelt, maar, ook al glijdt hij er in uit, er toch in de verborgenheid der ziele namelooze droefheid, door den Geest, over heeft, en die voorhuid van zijn hart wel met eigen hand wou afsnijden, en liever sterven wou, dan langer met dat hooge hart zijn God te kwellen en te krenken en zulk een verachtelijk schepsel in eigen oog te zijn! Dat is ook een lijden van Gods kinderen op aarde. Hun allerpijnlijkste en allersmartelijkste wonde Dan verzinnen ze alles en beproeven ze alles en wagen ze alles, om dat hooge hart riemen aan te leggen en het aan die riemen naar beneden te trekken en te dwingen en zóó vast te gespen, dat ze dachten het gewonnen te hebben, en nu gerust insliepen, denkende:
ons
God
hart,
uit
te
—
maar helaas, om ook „Tsu kan het toch stellig niet meer los!" voor die inspanning slechts teleurstelling in te oogsten en den eersten keer den besten, dat het er weer op aankomt, hun sterke riemen als rag te zien afbreken, en toch altijd weer dat hoogheid zoekende hart met kracht en opeens tegen het gebod in te zien zwellen en naar boven gaan; ook al weten en voelen ze op hetzelfde oogenblik, dat dat hun God hoont en hun Middelaar krenken moet en droefheid aandoet aan den Heiligen Geest. Maar zóó kunnen ze dien Heiligen Geest dan toch nooit bedroeven, of Hij komt die „worstelende kinderen" dan nog troosten; en zóó ze dien Middelaar nooit krenken, of Hij bidt nog dat die dolenden terug mochten keeren; en zóó kunnen ze dien God nooit hoonen, of Hij strekte zijn hand reeds uit, om die onder lagen te hulpe te komen. En dat doet Hij nu door hun „zwarigheden" te zenden; door, als het hooge hart niet naar beneden wil, het te „belasten'''; door er op te „drukken'''' met het wicht van zijn goddelijken toorn; en het aldus ten leste naar beneden te buigen en te „vernederen^'' onder de sterkte
kunnen
zijner kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's