De leer der Verbonden - pagina 175
165 er
steld,
in gang
weer
stoom in brengt, en door dien stoom het schip weer
zet.
Maar
dat willen die op deeling beluste broederen volstrekt niet. willen heel iets anders. Die willen eigenlijk ons diets maken, dat het wrak nog zoo heel wrak niet is. Dat de machine van binnen in de ziel eigenlijk nog wel bruikbaar ware. En dat, als genade maar
Die
helpt en ondersteunt en hij springt , het
den romp, nog wel gaan
met den ouden, den vernieuw-
zal.
En daar nu gelooven we, op grond van Gods Woord, niets van. De mensch in het paradijs had, eer hij viel, natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, en het is volstrekt niet waar, wat men thans alsof de bovennatuurlijke gaven eerst door de zonde noodig waren geworden, en alsof oorspronkelijk de natuur goed en pittig genoeg was, om het bovennatuurlijke te kunnen missen. Op dit punt waren onze vaderen steeds streng. En daar hadden ze gelijk in. Het hoogere leven was ook voor Adam een bovennatuurlijke gave. Donum
predikt,
supernaturale. En toen nu
rukte aan die innerlijke machinerie van zoo mogen uitdrukken, heeft dit ten gevolge gehad, dat de zondaar al deze bovennatuurlijke gaven verloor en dat de natuurlijke gaven in hem bedorven, geheel in de war gebracht en uit haar verband gerukt werden. Een zondaar mist dus niet alleen het bovennatuurlijk goed, maar veel erger nog, hij mist de gave om er naar te grijpen; ja zelfs, laat het scherp en beslist zijn uitgesproken, hij mist zelfs de vatbaar's
menschen
de
ziel,
zonde
als
we ons
om als God ze tot hem brengt, ze in zich op te nemen. God de Heere moet dus niet alleen het bovennatuurlijk goed aan den zondaar toebrengen, maar vooraf hem bovendien nog de vatbaarheid weer inscheppen, om het in zich te kunnen ontvangen. De voorstanders van de „deeling van arbeid" in het genadewerk
heid,
keeren dus de vastigheden in elk opzicht om. Ze zien een zondaar aan voor wat hij niet
En door die dwais. dan toe, om deels uit den dooden zondaar te verklaren, wat alleen en algeheellijk verklaarbaar is uit den levenden God. Stellen we dus, altijd naar den vorm van ons beeld, ter verduidelijking nog eens de drieërlei voorstelling naast een, dan komen we komen
ling
ze er
tot dit resultaat:
De
voorstanders der lijdelijkheid zien het wrak liggen, erkennen geheel wrak is, en laten het nu op sleeptouw nemen door een schip dat goed en gaaf is. De voorstanders van „arbeidsdeeling" in het genadewerk, zien datzelfde wrak liggen, maar betwisten dat het zoo heel wrak is, en plaatsen nu een locomobiel op het dek, om half nog met de stukke machine en half met dat hulpwerktuig het wrak weer op gang te brengen. dat
het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's