Dat de genade particulier is - pagina 168
158 schelijken
geslachte
koren
dat
en
gemeente
een
ten
eeuwigen leven heeft uitverben en eeuwig zal
ik van dezelve een levend lidmaat
blijven."
Waar we nog
bijvoegen,
dat
volgens
vr.
55
volstrekt
niet alle
menschen, maar „alleen de geloovigen aan Christus en al zijn heilgoederen deel hebben." Terwijl eindelijk op de vraag: „hoe men een geloovige wordt?" of ook: „hoe men tot het geloof komt?" vraag 65 dit bescheid geeft: „Zulk een geloove komt uit den Heiligen Geest, die hetzelve in onze harten werkt door de verkondiging des Evangeliums."
En wat nu
ten
andere
Ursinus' opinie aangaat, voor zoover die zoo veroorloven we ons te verwijzen naar zijn schoonen brief aan N. N. over de praedestinatie, waar het „Wat raakt meer het pit des Evangelies, dan de eeuwige, vrijheet machtige, onveranderlijke liefde van God, jegens zijn uitverkorenen, om wier wille Christus zelf getuigt dat Hij zijn eengeborenen Zoon overgaf; ja, opdat Hij die uitverkorenen in Christus inplanten en eeuwig bewaren zou? De beloften doen hier niets af. Of jegens wien heeft God zich door de beloften verbonden, tenzij hij geloove? En wie gelooft, tenzij God het hem beliefde te schenken? En waar, waar, waar hebt gij dan toch ooit in de Schrift gelezen, dat God zich verbond, om het geloof aan allen te schenken? Ze moesten zich schamen met hun argument over de algemeenheid der beloften. Want indien de beloften zich tot allen uitstrekten, wat poel van goddeloosheid en !" schandelijkheid zou zich ontsluiten En verder: „Augustinus heeft zeer terecht op 1 Tim. 2 4 aangemerkt, dat de woorden „God wil dat alle menschen zalig worden" niet op alle individuen, maar op allerlei rangen en soorten van menschen slaat. En al geef ik aan twistzieke menschen soms toe, dat het op alle individuen kon slaan, dan doel ik daarmee nog nooit op de efficaciteit, maar alleen op omvang en roeping. Want nooit zouden we toestaan, niet slechts ik niet, maar niemand onzer, dat het, algemeen, waar men dit woord gebruikt, verstaan werd als onbeperkt of niet bepaald!" (Appendix p. 35, 6) '). Ten overvloede zij hier nog bijgevoegd: Ten eerste, dat de Heidelbergsche godgeleerden, die den Catechismus tegen de aanvallen van ongenoode vertolkers verdedigd hebben, met name de Heidelbergsche gedelegeerden op de Dordsche Synode, blijkt uit zijn overige geschriften,
:
:
:
in Henricus Alting, Scriptorum Heidelhergensium, Tonius 111, niet alleen op pag. 301 opzettelijk de in het Kerk. Weekbl. gegevene
^)
De
verklaring-
de C^era Omnia niet uit.
I.
p.
Latynsche Schatboek is een invoegsel, gelyk biykt uit Daar ter plaatse liet Ursinus zich over deze controvers
in het
171.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's