Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 282

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 282

3 minuten leestijd

!

268

hem den mond

stoppen.

vroom aan en

Maar wat doet nu

die looze

mensch?

Nu

„Zie eens wat genade des Heeren, dat Hij mij tot al deze dingen bekwaamd heeft!" En dan lijkt dat vroom, maar het is in den grond niets dan schandelijk misbruik van vrome vormen om het ijdeltuitig hart naar hartelust te laten pochen. stelt

hij

zich

zegt:

Dat is de sterkste openbaring van ons Godloochenend hart Maar in dienzelfden grondtoon speelt nu de natuurlijke mensch aldoor.

noemt God, maar hij bedoelt zijn eigen kracht. Hij neemt den van Gods zorgen te loven, maar verheerlijkt in den grond dan zijn eigen slimheid en voorzichtigheid. De naam blijft,

Hij

schijn aan niets

maar

Habakuk

zegt, zijn geest veranderd, en al zijn wezen der zaak niets anders dan zelfverheerlijking onder een anderen naam. Gods kinderen bekennen dat nu, en erkennen dat het zoo in hun hij

heeft,

zooals

schijnbare aanbidding

is

in het

helt. Dies strijden ze er tegen. Lang niet genoeg. Maar er is toch Geestesdrang tegen de zonde in hun ziel. Een onbekeerde is het dier gelijk, dat bloed zuipen wil en daarom er de tand in zet; maar

hart

een bekeerd mensch is er één, die ook nog wel trek in bloed zou hebben, maar uit vrees dat hij verscheuren mocht, de tanden samenklemt en de lippen toeperst, omdat het binnenste van zijn ziel de bloedlucht haat! dat Gods echte kinderen, ook in die gewone dingen des nog wel die dwaasheid des harten, om hun eigen kracht voor hun God aan te zien, kennen, maar ze gaan daar tegen in. Hebben ze b. v. jaren lang hun brood gevonden met orgelspelen en neemt God hun nu het gehoor weg, dan denken ook zij heel dwaas Nu sta ik broodeloos alsof al die jaren hun eigen orgelspel en niet de levende God hen had in stand gehouden. Maar toch ze bestraffen die dwaasheid, en zijn weer stil. Evenwel gaan ook zij daarom notr niet vrij uit. Want zie, zij hebben nu twee werkplaatsen gekregen. Eén in het gewone leven. Die bleef van vroeger. Maar nu kwam er in Gods kind ook een werkplaats van binnen, in de ziel, bij. Die was vroeger verzegeld. Daar ging niets om. Maar nu is die open, is daar licht ontstoken, en wordt ook daar gevijld, geboord, geschaafd. En dat, dat is nu het groote gevaar voor Gods kinderen, dat ze alsnu in die ziele-Averkplaats „den geest veranderen, en zich schuldig maken door hun kracht voor hun God te houden." Immers de Werker daar binnen, dat is de Heilige Geest. Die werkt in en door ons ik, zoodat ons ik in Hem werkzaam wordt, en al onze vermogens zijn des Heiligen Geestes gereedschap. Is er dus een stuk klaar; komt er eenig werk gereed; is er eenige lof of eenige deugd, dan is dat des Geestes bedrijf en goddelijk kunstvermogen.

Vandaar,

levens,

:

!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 282

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's