Het heil in ons - pagina 119
109 in de Socinianen en Wederdoopers, in de Enthousiasten en Remonstranten de geestelijke mestizzo's of mulatten (indien we deze gemengde kleiirrassen op kerkelijk terrein zoo noemen mogen) beurtelings hun
bekrompen moedwil, hinderlijke waarheid
of
wilt
ge,
hun blinden overmoed aan de hun
hebben gekoeld.
Tegenover de Augsburgsche, Saksische en Wittenbergsche, alsook de Zwitsersche, Fransche en Schotsche Confessies eenerzij ds staan dan ten
en publieke werken van Erasmus, Arminius, Schwenkfeld, Barclay en anderen, terwijl onder de afwijkende Gereformeerden het eerst Amyraut in Frankrijk en professor Burman en de Zwolsche predikant Yan Os ten onzent, in toenemende mate, op de volstrekte geldigheid van de orthodoxe uitlegging hebben afgedongen. Sinds echter, en hier lette men op, is de geestelijke beteekenis van dit deel der Schrift derwij s uit het oog verloren, dat, op het voetspoor der onhebbelijkste rationalisten en van onze ondiepe, dorre supranaturalisten, ondanks Spanheims prachtige verdediging, allengs weer de meeste uitleggers den verkeerden kant zijn opgegaan, en men er heden ten dage, ja, waarlijk op wordt aangezien, indien men, gewetenshalve, naar overtuiging en uit plichtsbesef, weer voor de oude, onvervalschte verklaring opkomt. Natuurlijk valt het buiten het bestek van deze artikelen, op een wijze, die ook maar van verre op volledigheid aanspraak maakt, het pleidooi voor deze eenig juiste verklaring te hernieuwen. Zulk een betoog is in geen vluchtig betoog, is niet in studiën van stichtelijken aard, is niet voor het groote publiek te voeren, en zou, om niet al te oppervlakkig te zijn, ons al vast een half jaar ophouden. Daarvan geheel afziende, wenschen we dan ook de ware interpretatie van Romeinen zeven slechts voor zooveel ter sprake te brengen, als genoegzaam is, om de ongerijmdheid van het tegenovergesteld beweren te doen uitkomen en de aloude verklaring weer ingang te doen vinden bij hem, die zelf de paden des Geestes kent. En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat in dit zevende hoofdstuk van den brief aan de Romeinen zeer onderscheidenlijk van eenzelfden mensch in drie zeer verschillende stadiën van zijn leven gehandeld deze
ook
Servet,
de
belijdenisschriften
Socinus,
wordt. Eerst van een periode toen deze mensch er wild op toeleefde, naar het goeddunken van zijn eigen hart, een toestand waarvan we lezen in VS. 9 Zonder de wet zoo leefde ik eertijds. Dan, in de tweede plaats, van een tijdperk toen hij door de wet zocht zalig te worden, waarop de auteur doelt in vs. 7 Ik kende de zonde niet dan door de wet, en in ys. 9 Als het gebod gekome?i is, zoo :
:
:
de zon dl' weder levend geworden. eindelijk, is er ten derde sprake van een mensch die ook de onprofijtelijkheid van de wet heeft ingezien en nu leeft door den
is
En
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's