Honig uit den rotssteen - pagina 115
:
!
101
moeten: „God weet toch wel wat ik misdeed," eu geliouden zijn, om vrLJwilli»^; en eio;ener beweujing hun zonden aan God bekend te maken; ze voor Hem uit te spreken; niet te zwijgen, maar te belijden; en in dat gedurig en met name bclijflen de diepste vernedering te ondergaan, die een kind van God tegenover de eeuwige barmhartige liefde Gods ondergaan kan. En zeg nu niet, dat hier niets aan is; dat dit vanzelf gaat; dat ieder dit doet; want de zielservaring leert eer omgekeerd, dat de zonde juist het tegendeel uitwerkt, het vermogen om te bidden inkort en verzwakt, en maakt, dat men telkens op de knieën wil gaan, maar er niet toe komt, en als men bidt algemeen bidt, maar letterlijk de zedelijke macht mist, om uit den voorhof tot in het heilige door rlenkcn
7,iclizelvon niuiir
ze
diit
verpliclit
dringen. vernieling die de zonde aanricht, is zoo ontzettend. Zóó is er weer niet een knop aan den stengel, die ge meenen zoudt, dat zou ontluiken, of de zonde komt als een worm aan den stengel knagen, en de knop die ontluiken moest, verdort. o. Er zit in den wortel een eeuwige groeikracht. Dood krijgt de zonde de van God geteelde planting niet meer. Maar bang gaat het soms toe. En gennde, niets dan genade is het, als eindelijk het hart weer omgaat; de temperatuur in het hart weer daalt; als er weer kalmte, weer bezinning, weer een zalving van hooger hand komt; en de ziel, die straks nog boos en valsch zich toesloot, en niet dorst, en niet wou, nu vanzelf zich opent en zich uitstort, zoo zalig uitstort, en uit de diepte roepen kan: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, ik ben niet meer waardig uw kind te
De
—
genaamd dat
worden,"
te
nog
ze er
altijd
maar om dan ook opeens weer te ontdekken, die hij dacht dat weg waren, „die eeuwige
zijn,
armen der barmhartigheid!'" Mijn
als ge waarlijk schuldbelijdend de ziel vermoogt uit voor den Heilige, o, roem dan toch nooit in u zelf. Dat dat het vlot te kunnen, te voelen dat het waarheid bij u is is zoo enkel, enkel goedertierene genade te
broeder,
gieten
;
En
er
In
deze
dit
zij
nog aan toegevoegd
worsteling
liiiiteiu/ewonr
een
geraakt
zielstoestanden,
beter weten in,
;
als
hangen bleef en
hij
zijn
kind van God niet enkel in die in een merkbare zonde, tegen ziel verdierf; maar dien zwaren
der „onoprechtheid van hart" heeft hij aldoor te voeren. Immers het is niets dan verfoeilijk zelfbedrog, om te wanen, dat zoolang een kind van God op aarde is, ook maar één oogenblik (!r in zijn leven zou zijn, dat de zonde hem niet aan de ziel schrijnt; strijd
hem
niet
neerdrukt
;
niet
zijn
wasdom tegenhoudt
;
en
hem
niet in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's