Honig uit den rotssteen - pagina 26
12 Och, immers smadelijk valt een
ieg:elijk
van ons,
cle
beste
met den
minste, voor die taal der goddelijke doortastendheid in het ijle en bet nietswaardige van al onze halfheden, en schijngedragingen, en bere-
keningen,
en
noemd, van
ja, waarom het met Gods heiligheden
afdingingen,
zijn spelen
niet
bij
zijn
naam
ge-
terug.
En wat erger nog is: dat leven uit halfheden verdedigt men, daar maakt men een stelsel van dat heet bezadigdheid dat zal een mijden van de ultra's zijn; een u verre houden van eenzijdigheid, van over;
:
drijving en dweperij.
Och, Kome in en buiten onze kerk, wat is het anders dan de belichaming van dat schijnwezen, dat het pit der zaak nooit aan wil; wars is van doortasten en zich altoos verontschuldigt ? En wat is, broeders, de strijd van Gods volk, de strijd van het geslacht zijner kinderen, de worsteling voor God en voor zijn waarwat is ze in den grond der zaak ooit anders, dat een met hand heid en tand ons verzetten tegen dat eindelooze deelcn'? Tegen dat deden van de eere der zaligheid tusschen u en uw God? Tegen dat dcelen van uw hart tusschen wat daar boven is en de wereld ? Tegen dat deelen van uw bewustzijn tusschen \\w gelooven en uw denken? Kortom tegen al dat deelen dat den man uit één stuk omzet in een aaneenlijming van twee halfheden, en dusdoende van de bezielde kracht van het gereformeerde leven ons weer terugleidt naar de slapheid, de hoovaardij en de goddeloosheid van een valschen gods;
;
dienst, die
En
nu,
God mijn
niet dient,
broeder,
wees dan welkom geheeten Die strijd, al verteert
maar met den Heilige haar spel drijft? ook gij tot dien strijd u aangorden,
wilt
de heirscharen des levenden Gods. hij zal u geestesmacht schenken, u verheften, u de kracht eens konings in de ziel uitstorten. Alleen, vergeet één ding niet: Wie tegen alle halfheid als devies op zijn schild graveert, maar zelf met „halfheid" in de ziel voor God blijft spelen, is noch tot den ernst van dien strijd bekwaam, noch tot de eere van die koninklijke macht geroepen. bij
hij
u,
!
V.
Ons dagelijksch brood geef ons heden. Matth. 6
Wie bidt nog om zijn dagelijksch brood? Dat men er voor datikt, wordt, God zij nog,
dat
men
een zegen op
zijn dagelijksch
:
11.
nog vernomen. Ook brood afbidt. Maar dat
lof,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's